Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank stelt vast dat de minister de aanvraag op 9 juli 2024 ontving en binnen zes maanden had moeten beslissen. Eiser stelde de minister op 30 januari 2025 in gebreke en stelde daarna beroep in, wat gegrond wordt verklaard.
De rechtbank legt de minister een termijn van zestien weken op om alsnog te beslissen, waarbij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een gehoor moet plaatsvinden over de asielmotieven en binnen acht weken daarna het besluit moet worden genomen. Dit volgt het 8+8-wekenmodel dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State passend acht.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier L.M. Kalkman op 9 juli 2025.