Eiseres diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als zelfstandige, die door de minister op 1 december 2023 werd afgewezen met oplegging van een terugkeerbesluit en een vertrektermijn van vier weken. Eiseres maakte bezwaar, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard en haar verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen van griffierecht.
Op 17 april 2024 werd eiseres bij terugkeer naar Turkije geconfronteerd met een nieuw terugkeerbesluit en een voornemen tot oplegging van een inreisverbod voor de duur van één jaar. Dit inreisverbod werd op 16 mei 2024 daadwerkelijk opgelegd. Eiseres stelde beroep in tegen beide besluiten, maar verscheen niet op de zitting van 16 juni 2025.
De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit van 17 april 2024 geen nieuwe rechtsgevolgen heeft omdat het eerdere besluit van 1 december 2023 nog van kracht was en de vertrektermijn al was verstreken. Hierdoor is de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen dit besluit. Ten aanzien van het inreisverbod oordeelt de rechtbank dat de minister bevoegd was dit op te leggen omdat eiseres niet onmiddellijk Nederland verliet binnen de gestelde termijn. De rechtbank stelt dat eiseres niet gehoord hoefde te worden omdat zij op het formulier aangaf geen nader gehoor te wensen.
De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor het beroep tegen het terugkeerbesluit en verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.