De rechtbank Den Haag behandelde een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder was veroordeeld voor witwassen van €200.000. Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen tussen december 2021 en juni 2025. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €271.021,46, gebaseerd op een kasopstelling die de contante uitgaven en ontvangsten van de veroordeelde analyseerde.
De verdediging betwistte de hoogte van het bedrag, stelde dat een deel van het geld was afgelost als schuld en dat de waarde van een in beslag genomen Rolex horloge te hoog was getaxeerd. De rechtbank verwierp deze bezwaren en bevestigde de kasopstelling als reële basis voor het geschatte voordeel. Er werd geoordeeld dat het feit dat de veroordeelde het geld gebruikte om een boete of schuld te voldoen, geen afbreuk doet aan het bestaan van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank matigde de betalingsverplichting tot €257.470,39 vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van anderhalf jaar. Het draagkrachtverweer werd verworpen omdat onvoldoende is aangetoond dat de veroordeelde ook in de toekomst geen draagkracht zal hebben. De betalingsverplichting kan in de executiefase worden heroverwogen. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.