Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 5 juli 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 16 januari 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Hoewel de minister aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden had verlengd, is deze verlenging ingetrokken, waardoor de zesmaandentermijn weer geldt. De rechtbank legt de minister een termijn van zes weken op om alsnog een besluit te nemen, rekening houdend met de reeds verstreken tijd en het feit dat eiser is gehoord en zijn zienswijze heeft ingediend.
De rechtbank verbindt aan deze termijn een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000, voor het geval de minister niet tijdig beslist. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege het inschakelen van juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier L.M. Kalkman op 10 juli 2025.