ECLI:NL:RBDHA:2025:12581
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen op asielaanvraag na Dublintraject
Eiser diende op 25 april 2023 een asielaanvraag in, waarna Nederland een terugnameverzoek bij Bulgarije indiende op grond van de Dublinverordening. Bulgarije accepteerde dit verzoek, waarna Nederland besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen en overdracht aan Bulgarije te effectueren. Dit besluit werd onherroepelijk verklaard. Eiser dook onder, waardoor niet kon worden vastgesteld of Nederland verantwoordelijk bleef voor de aanvraag.
Na onderduiking diende eiser op 24 december 2024 opnieuw een asielaanvraag in. Verweerder gaf aan dat overdracht voor de uiterste datum niet mogelijk was en dat de procedure zou worden voortgezet. Eiser stelde op 11 februari 2025 een ingebrekestelling op wegens niet tijdig beslissen en diende op 4 maart 2025 beroep in tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de beslistermijn van zes maanden na de nieuwe aanvraag op 24 december 2024 nog niet was verstreken. Door de onderduiking was onduidelijk of Nederland verantwoordelijk bleef voor de oorspronkelijke aanvraag, waardoor de nieuwe aanvraag leidend was. De termijn was bovendien verlengd door een besluitmoratorium voor Syrische vreemdelingen. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling.