ECLI:NL:RVS:2025:1412
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- C.M. Wissels
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum verblijfsvergunning asiel bij tweede aanvraag na Dublin-overdracht
De vreemdeling diende op 5 maart 2019 een eerste asielaanvraag in, die door de minister op 31 juli 2019 niet in behandeling werd genomen vanwege verantwoordelijkheid van Frankrijk op grond van de Dublinverordening. Na vertrek met onbekende bestemming meldde zij zich pas weer op 6 januari 2022 met een tweede asielaanvraag, waarop de minister een verblijfsvergunning asiel verleende met ingang van die datum.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze ingangsdatum ongegrond, stellende dat de minister niet verplicht was de ingangsdatum te baseren op de eerste aanvraag, mede ter voorkoming van forumshoppen. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de eerste aanvraag nog openstond en dat de Dublinverordening geen nieuwe aanvraag eiste.
De Afdeling bestuursrechtspraak verwees naar een eerdere uitspraak van 4 maart 2024, waarin werd geoordeeld dat bij hernieuwde verantwoordelijkheid van Nederland de oorspronkelijke aanvraag bepalend is. In deze zaak was echter sprake van onderduiken en onzekerheid over de verantwoordelijkheid, waardoor de minister terecht de ingangsdatum op de tweede aanvraag baseerde.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank het juiste oordeel heeft gegeven en bevestigt het vonnis met verbetering van de gronden. De grieven van de vreemdeling worden verworpen, waarmee de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op 6 januari 2022 blijft staan.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd op 6 januari 2022, de datum van de tweede asielaanvraag.