ECLI:NL:RBDHA:2025:12707
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Frankrijk in asielprocedure
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om te voorkomen dat hij op 16 juli 2025 wordt overgedragen aan Frankrijk in het kader van zijn asielprocedure. De minister had de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank had het beroep van verzoeker tegen dit besluit buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard.
Verzoeker stelde dat hij niet vrijwillig wil vertrekken en dat hij mantelzorger is voor de moeder van een nog te verwachten kind, wat volgens hem aanleiding zou moeten zijn om de overdracht te voorkomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake is van spoedeisend belang omdat de overdracht niet vrijwillig is en de gevolgen voor verzoeker substantieel kunnen zijn.
Echter, de voorzieningenrechter vond dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. De door verzoeker overgelegde stukken onderbouwen zijn vaderschap onvoldoende en zijn stelling over mantelzorg is niet onderbouwd. Bovendien kan verzoeker, mocht Nederland uiteindelijk verantwoordelijk blijken, vanuit Frankrijk worden teruggeleid. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht aan Frankrijk wordt afgewezen omdat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft.