Eiser, een Syrische Palestijn, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, gebaseerd op een individueel ambtsbericht van de AIVD waarin werd gesteld dat hij betrokken was bij IS-activiteiten in Syrië. De minister wees de aanvraag af wegens een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid en legde een signalering in het Schengeninformatiesysteem op.
Eiser voerde aan dat hij niet adequaat kon reageren op de aantijgingen omdat de onderliggende stukken van het ambtsbericht geheim bleven en dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde dat hoewel het ambtsbericht summier was, het voldoende concreet was om eiser in staat te stellen zich te verweren.
De rechtbank nam de geheime stukken in overweging en stelde vast dat de feitelijke gedragingen die eiser werden verweten niet werden gedragen door de onderliggende stukken. Hierdoor was het besluit onvoldoende gemotiveerd en werd het vernietigd. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.