ECLI:NL:RVS:2022:149
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap en ongewenstverklaring wegens deelname aan terroristische organisatie
Appellant, met dubbele Nederlandse en Turkse nationaliteit, reisde in juni 2017 naar Syrië met de intentie zich aan te sluiten bij Islamitische Staat, maar sloot zich aan bij Hay'at Tahrir al-Sham (HTS). De staatssecretaris trok zijn Nederlanderschap in en verklaarde hem ongewenst vanwege deelname aan een organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling oordeelde dat het individueel ambtsbericht van de AIVD, ondanks beperkte inzage door partijen, voldoende onderbouwd en deugdelijk gemotiveerd is. Betwisting van de intentie en betrokkenheid van appellant faalt wegens gebrek aan concrete aanknopingspunten.
Ook het betoog over discriminatie, onvoldoende belangenafweging, schending van artikel 8 EVRM Pro en opsporingsbelang wordt verworpen. De Afdeling stelt dat appellant zelf heeft gekozen voor verblijf in het door HTS gecontroleerde gebied en daarmee afstand heeft gedaan van zijn banden met Nederland. De mogelijkheid tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring waarborgt het bijwonen van strafzaken.
De Afdeling concludeert dat de staatssecretaris terecht het Nederlanderschap heeft ingetrokken en appellant ongewenst heeft verklaard. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring worden bevestigd.