Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
hogerberoep of waarin op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het
hoger beroepschriftis beslist. Ook ontstaat gedurende deze fase geen rechtmatig verblijf ‘krachtens de wet’. De uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019 en de prejudiciële vragen van de Afdeling in die procedure zagen nu juist op de omstandigheid dat het hoger beroep niet automatisch schorsende werking heeft en het instellen van hoger beroep dus niet automatisch rechtmatig verblijf oplevert en of dit nationale procesrecht wel verenigbaar is het met Unierecht.
niettot gevolg dat eiser totdat beslist is op het hoger beroep rechtmatig verblijf heeft. De rechtbank heeft ter zitting besproken dat dit steevast wel wordt aangenomen in de jurisprudentie, maar dat de rechtbank thans tot de conclusie komt dat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In de vreemdelingenwet is door de wetgever een limitatieve opsomming gegeven van de situaties waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft. De nationale wetgever heeft niet bepaald dat door het instellen van hoger beroep (procedureel) rechtmatig verblijf ontstaat. De nationale wetgever heeft ook niet bepaald dat door een door de Afdeling getroffen voorziening waarbij de uitzetting wordt verboden totdat op het hoger beroep is beslist, (procedureel) rechtmatig verblijf ontstaat. Al de in de artikel 8 Vw Pro genoemde situaties hebben namelijk geen betrekking op deze fase van de procedure. Verweerder mag eiser thans niet uitzetten, maar dit betekent dus niet dat eiser rechtmatig verblijf heeft. Anders dan eiser meent, volgt uit deze voorziening ook niet dat eiser aanspraak maakt op opvangvoorzieningen en andere verstrekkingen. Eiser heeft immers zijn asielaanvraag ingetrokken en de eerdere asielaanvraag is buiten behandeling gesteld en deze beslissing is bevestigd door de rechtbank en vooralsnog niet vernietigd door de Afdeling. Omdat eiser geen (procedureel) rechtmatig verblijf heeft, valt eiser onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat deze werkingssfeer uitsluitend wordt bepaald door de situatie van illegaal verblijf, ongeacht de redenen die aan deze situatie ten grondslag liggen of de maatregelen die tegen hem kunnen worden genomen (arrest van het Hof van 19 december 2024 in de gevoegde zaken C‑244/24 en C‑290/24, Kaduna, punt 137 en arrest van het Hof van 17 oktober 2024, in de zaak Ararat, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892, punten 31 en 32.). In beginsel betekent dit dat eiser in bewaring kan worden gesteld ter fine van uitzetting als dit noodzakelijk, proportioneel en evenredig is, waarbij vanzelfsprekend te gelden heeft dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet mag ontbreken. De rechtbank sluit niet uit dat situaties denkbaar zijn dat bij wijze van voorlopige voorziening en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457, door de Afdeling is bepaald dat de uitzetting achterwege moet blijven totdat op het hoger beroep is beslist maar zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt. Indien bijvoorbeeld duidelijk is dat de Afdeling op korte termijn na het treffen van een voorziening op het hoger beroep beslist kan niet worden uitgesloten dat de uitzetting onmiddellijk na die uitspraak kan worden gerealiseerd.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.