ECLI:NL:RBDHA:2025:12924

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20305
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.M. Kuipers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 17 DublinverordeningArtikel 3 EVRMArtikel 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Polen nog geldt. Eiser stelde dat vanwege recente politieke ontwikkelingen en wetgeving in Polen dit vertrouwensbeginsel niet meer toepasbaar is en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Polen.

De rechtbank volgt dit betoog niet en verwijst naar vaste jurisprudentie waarin is vastgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt zolang er geen structurele tekortkomingen zijn die leiden tot schending van fundamentele rechten. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is. Polen heeft het terugnameverzoek van Nederland geaccepteerd en daarmee de verantwoordelijkheid erkend.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Polen blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20305
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 april 2025 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat ten opzichte van Polen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het claimakkoord biedt volgens hem - gelet op de Poolse situatie en het huidige politieke klimaat - onvoldoende garantie dat zijn asielverzoek conform de internationale verdragsverplichtingen in behandeling zal worden genomen. Eiser wijst op het wetsvoorstel over afschaffing van het recht op asiel dat op
21 februari 2025 door het Poolse (lagere) parlement is aangenomen. Ook wijst hij op de uitlatingen van Donald Tusk - tijdens de EU-top op 21 maart 2025 - over het niet langer voldoen aan de Dublinverordening. Ook de door de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op 21 maart 20252 toegewezen voorlopige voorziening is volgens eiser een indicatie dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder had in ieder geval nader onderzoek naar de situatie van Dublinclaimanten na overdracht aan Polen moeten doen. Het bestreden besluit is op dit punt volgens hem onvoldoende gemotiveerd. Verder wijst eiser nog op zijn persoonlijke ervaringen in Polen. Hij heeft daar destijds geen medische hulp ontvangen, werd misleid door de grenspolitie en gediscrimineerd.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Zij is van oordeel dat het uitgangspunt is dat verweerder ten opzichte van Polen mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.3 Dit beginsel houdt in dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zal behandelen. Eiser moet aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet zo zal zijn. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest pas sprake is, als de door de vreemdeling aannemelijk gemaakte tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid hebben bereikt.4
7. Eiser is hierin niet geslaagd. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.
7.1.
In de uitspraak van 15 april 20255 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister ten aanzien van Polen nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en dat door overdracht van de betreffende Dublinclaimant aan Polen geen situatie zal ontstaan in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ook uit de uitspraken van de Afdeling van
4 september 20246 volgt dat er in Polen geen structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen zijn die leiden tot schending artikel 4 van Pro het Handvest. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraak van 27 maart 20257 de uitspraak van 11 maart 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch bevestigd, waarin is overwogen dat dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Polen de internationale verplichtingen nakomt.
7.2.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser met zijn stellingen in beroep
4 Zie onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, in de zaak Jawo tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:218, rechtsoverwegingen 91-93.
5 Zie hiervoor onder 3.
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voorgaande niet meer opgaat. Eiser stelt weliswaar dat nieuwe wetgeving in Polen die een risico zou vormen voor
Dublinclaimanten, maar hij heeft deze stelling in het geheel niet onderbouwd. Hierom ziet de rechtbank geen reden daar nader op in te gaan. Voor zover eiser wijst op uitspraken van premier Tusk van Polen waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat Polen voornemens is zich niet meer aan de verplichtingen van de Dublinverordening te houden is de rechtbank met verweerder van oordeel dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. Ook hierin heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek. Dit geldt te meer - zo is onweersproken gebleken - dat Polen nog altijd overname- en terugnameverzoeken accordeert en er nog altijd fysieke overdrachten van Dublinclaimanten plaatsvinden.
7.3.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder ten aanzien van hem niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In dit verband wijst de rechtbank erop dat Polen het terugnameverzoek van Nederland heeft geaccepteerd. Daarmee heeft Polen de verantwoordelijkheid voor de correcte behandeling van het asielverzoek van eiser op grond van de Dublinverordening erkend en bevestigd. Met het claimakkoord garandeert Polen dat eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese regelgeving. Bovendien is niet gebleken dat Polen inmiddels is teruggekomen op de door Polen geaccepteerde verantwoordelijkheid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister ervan uit mag gaan dat Polen ten aanzien van eiser zijn verantwoordelijkheden die voortvloeien uit de Dublinverordening zal nakomen.
7.4.
Als eiser toch problemen mocht ondervinden, mag - zoals verweerder terecht heeft aangegeven - van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Poolse autoriteiten. Gesteld noch gebleken is dat dit voor hem niet mogelijk is.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 7, is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Polen de internationale verplichtingen nakomt.
9. Voor zover eiser betoogt dat verweerder aanleiding had moeten zien om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken, overweegt de rechtbank dat dit betoog evenmin slaagt. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdacht van eiser aan Polen onevenredig hard is. Daartoe is van belang dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij medische hulp nodig heeft en die daar niet kon ontvangen. Ook heeft hij niet onderbouwd dat hij werd misleid door de grenspolitie en werd gediscrimineerd. Evenmin is gebleken dat eiser geen hulp kon krijgen of bij terugkeer kan krijgen, dan wel dat hij zal kunnen klagen bij de Poolse autoriteiten.
10. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Polen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Kuipers, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 mei 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.