ECLI:NL:RBDHA:2025:13011

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20911
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hansen-Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting en verklaart het beroep kennelijk ongegrond.

Eiser stelt slachtoffer te zijn van een criminele groep in Duitsland en vreest onmenselijke behandeling bij terugkeer. Hij baseert dit op eerdere aangiftes en het ontbreken van adequate bescherming door Duitse autoriteiten. De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Nederland mag vertrouwen op de naleving van mensenrechten door Duitsland. De enkele stelling van eiser is onvoldoende om hiervan af te wijken.

Verder heeft eiser aangegeven vrijwillig naar Rusland te willen terugkeren, maar de rechtbank benadrukt dat dit een afzonderlijk traject is waarvoor eiser zelf het initiatief moet nemen. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening wegens psychische gevolgen wordt verworpen, omdat eiser dit niet met medische stukken heeft onderbouwd.

De rechtbank bevestigt dat de minister terecht heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser mag worden overgedragen aan Duitsland en krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20911

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 mei 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Het verzoek een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL25.20912. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen, die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland op 21 maart 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 maart 2025, op grond van artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening aanvaard.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt in Duitsland slachtoffer te zijn geworden van poging tot doodslag, bedreiging en chantage. De daders zijn leden van een criminele organisatie en bij terugkeer naar Duitsland heeft eiser te vrezen voor een onmenselijke of vernederende behandeling. Eiser geeft aan in Duitsland drie keer aangifte tegen deze groep te hebben gedaan. Na de eerste aangifte heeft de politie aangegeven dat er geen bewijs was tegen de verdachten, na de tweede en derde aangifte heeft de politie niks meer gedaan. Eiser stelt dat de leden van deze criminele groep niet vervolgd zullen worden, omdat zij als tolk werken bij de politie en de gemeente en dus contacten hebben binnen de autoriteiten. Eiser stelt dat hij in Duitsland geen bescherming zal krijgen tegen deze groep.
5.1.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo dat hij stelt dat hij in Duitsland een behandeling kan verwachten die in strijd is met het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM [3] en artikel 4 van Pro het Handvest [4] .
5.2.
In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Dit uitgangspunt is ten aanzien van Duitsland door de Afdeling [5] bevestigd op onder meer 11 september 2024 en 14 februari 2025. [6] Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest.
5.3.
Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. De enkele stelling dat eiser slachtoffer is geworden van een criminele groep en hij in Duitsland niet tegen deze groep beschermd zal worden, is onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de niet onderbouwde stelling dat twee van zijn aangiftes niet in behandeling zijn genomen. De minister heeft daarom in het bestreden besluit terecht kunnen overwegen dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen in overeenstemming met de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Wanneer hij na overdracht toch problemen ervaart, ligt het op de weg van eiser daarover te klagen bij de aangewezen instanties. De enkele stelling van eiser dat de leden van de criminele groep toch niet vervolgd zullen worden, is onvoldoende om aan te nemen dat klagen bij voorbaat kansloos is.
Vrijwillige terugkeer
6. Verder stelt eiser dat hij heeft verklaard vrijwillig terug te willen keren naar Rusland, zijn land van herkomst. Nederland dient hem daarom te helpen bij het terugkrijgen van zijn documenten van de Duitse autoriteiten en met zijn terugkeer naar Rusland.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Dublinverordening uitsluitend ziet op de overdracht van een vreemdeling naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Een eventueel vrijwillig vertrek naar het land van herkomst is een afzonderlijk traject. Eiser dient zelf het initiatief te nemen wanneer hij wenst terug te keren naar Rusland en kan deze wens kenbaar te maken bij de DT&V. [7] Eiser is er in het aanmeldgehoor op gewezen dat hij zijn vragen over een vrijwillige terugkeer en het terugkrijgen van zijn documenten kan stellen aan de DT&V. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan. De enkele intentie tot vrijwillige terugkeer is onvoldoende om de Dublinprocedure te doen beëindigen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. Eiser voert aan niet terug te kunnen keren naar Duitsland omdat hij daar nog steeds gevaar loopt voor de criminele groep. Eiser is getraumatiseerd door wat hij in Duitsland heeft meegemaakt en een mogelijke terugkeer levert hem veel stress, angst en paniek op.
7.1.
Voor zover eiser met deze grond een beroep doet op de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening, overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft in deze verklaringen van eiser geen aanleiding hoeven zien de asielaanvraag van eiser onverplicht in behandeling te nemen. Eiser heeft de psychische gevolgen van zijn eerdere ervaringen in Duitsland niet met medische stukken onderbouw. Er zijn dan ook geen aanwijzingen dat eiser in Nederland specialistische zorg nodig heeft of een behandeling moet ondergaan, waardoor de door hem aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hansen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.De Dienst Terugkeer en Vertrek.