ECLI:NL:RBDHA:2025:13072

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20761
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30b lid 1 onder g Vw 2000WI 2019/17Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag op grond van seksuele gerichtheid wegens ongeloofwaardigheid

Eiseres, een vrouw van Ugandese nationaliteit, heeft in 2019 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland vanwege problemen op haar werk. Deze aanvraag werd afgewezen als kennelijk ongegrond met een terugkeerbesluit en inreisverbod. In 2023 diende zij een opvolgende aanvraag in met als nieuw asielmotief haar seksuele gerichtheid, aangezien homoseksualiteit verboden is in Uganda.

De minister wees deze aanvraag opnieuw af, waarna de rechtbank in februari 2025 het beroep gegrond verklaarde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen met een heldere motivering en rekening houdend met het referentiekader van eiseres. De minister stelde in april 2025 het referentiekader opnieuw vast en handhaafde de afwijzing wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief.

De rechtbank oordeelt dat het referentiekader voldoende is vastgesteld en dat de minister terecht heeft meegewogen dat eiseres haar seksuele gerichtheid niet eerder had genoemd, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid. Ook waren haar verklaringen over haar huwelijk, relatie met een Nederlandse man en haar lesbische relatie oppervlakkig en tegenstrijdig. De minister heeft bovendien de overgelegde rapporten en verklaringen adequaat betrokken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag wegens seksuele gerichtheid wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20761

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,
van Ugandese nationaliteit,
V-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de afwijzing van de asielaanvraag dus in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 28 april 2025 afgewezen.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Ook is een tolk verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft in 2019 voor het eerst in Nederland asiel aangevraagd, vanwege problemen door haar werk op een school. Deze aanvraag is met het besluit van 11 juni 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Het hiertegen ingediende beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle ongegrond verklaard. [2]
2.1.
Op 22 augustus 2023 heeft eiseres een opvolgende aanvraag ingediend, met als nieuw asielmotief: seksuele gerichtheid. Eiseres is afkomstig uit Uganda, waar homoseksualiteit verboden is. Zij stelt dat ze eerder niet naar voren durfde te brengen dat ze lesbisch is.
2.2.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 november 2024 afgewezen. Met de uitspraak van 25 februari 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. [3] Daarbij dient inzichtelijk gemaakt te worden dat en hoe er rekening wordt gehouden met het referentiekader van eiseres en wat dit betekent voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van haar seksuele gerichtheid.
Het bestreden besluit
3. Met het besluit van 28 april 2025 heeft de minister opnieuw op de aanvraag beslist en deze weer als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft de minister de motivering van zijn standpunt, zoals eerder weergegeven in het voornemen van 20 november 2024, aangevuld. Het asielmotief ‘Identiteit, nationaliteit en herkomst’ staat niet ter discussie. De minister handhaaft het standpunt dat het asielmotief ‘Seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen’ ongeloofwaardig is. De minister heeft het referentiekader opnieuw vastgesteld en is alsnog ingegaan op het overgelegde rapport van LGBT+ Asylum Support van 11 januari 2025. De minister overweegt dat bij de beoordeling terecht is betrokken dat eiseres haar geaardheid bij de eerdere asielprocedure niet heeft genoemd. Verder handhaaft de minister - kort samengevat - dat eiseres, ook al wordt rekening gehouden met haar referentiekader, niet persoonlijk genoeg over haar gevoelens en haar relaties heeft verklaard. Onder andere is relevant bevonden dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over haar relatie met een Nederlandse man, dat zij summiere verklaringen heeft afgelegd over haar huwelijk en over haar relatie met een vrouw tijdens dit huwelijk.
Heeft de minister een onvolledig referentiekader vastgesteld?
4. Eiseres voert aan dat de minister is uitgegaan van een onvolledig referentiekader en dat de minister niet heeft voldaan aan de uitspraak van de rechtbank.
4.1.
De minister betoogt dat het referentiekader volledig is. De minister heeft het referentiekader als volgt vastgesteld:
“U bent een vrouw van [jaartal] jaar oud, behoort tot de (…) stam en bent 18 jaar (gedwongen) getrouwd geweest. U hebt vier kinderen uit dit huwelijk. U bent geboren en opgegroeid in Uganda en hebt uw grootste deel van uw volwassen leven in dit land gewoond. U bent moslim en praktiseert uw geloof door te bidden en te vasten. In Uganda hebt u tot de zesde klas onderwijs gevolgd en hebt u, na uw terugkeer uit Egypte in 2015, uw eigen kledinghandel gehad. Daarna hebt u gewerkt op de (…) Highschool als conciërge. U maakte eten voor de kinderen en gaf les aan de meiden over culturele dingen wanneer u daar tijd voor had. In 2013 bent u naar Egypte vertrokken waar u hebt gewerkt als dienstmeisje tot aan uw terugkeer naar Uganda in 2015. U bent vanaf november 2017 in Europa.”
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat het opnieuw geformuleerde referentiekader voldoende uitgebreid is. Het bevat, in overeenstemming met Werkinstructie 2019/17 [4] , onder andere informatie over het opleidingsniveau van eiseres, haar leeftijdsfase, cultuur en afkomst. Eiseres heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom dit opnieuw geformuleerde referentiekader onvolledig zou zijn. De rechtbank overweegt hierbij ook dat uit de uitspraak van deze rechtbank van 25 februari 2025 niet zozeer blijkt dat het referentiekader niet juist zou zijn vastgesteld, maar dat onduidelijk was hoe de minister dat in het bestreden besluit had toegepast.
Heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig kunnen vinden?
5. De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat in zaken waarin een lhbti-geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit haar eigen ervaring met betrekking tot de gestelde seksuele gerichtheid. Daarbij moet rekening worden gehouden met het referentiekader van de vreemdeling. [5]
Eiseres heeft bij haar eerdere aanvraag niets verklaard over haar seksuele gerichtheid
5.1.
Eiseres heeft aangevoerd dat de minister de ongeloofwaardigheid van dit asielmotief niet mag baseren op de omstandigheid dat zij niet eerder melding heeft gemaakt van haar seksuele gerichtheid. Verder stelt zij dat zij daarvan niet heel laat melding heeft gemaakt en dat zij in eerste instantie uit angst niet heeft verklaard. Eiseres acht dit verschoonbaar omdat homoseksualiteit in Uganda verboden is. De minister had dit volgens haar niet nadelig mogen laten meewegen.
5.2.
De minister heeft in het voornemen overwogen en in het bestreden besluit gehandhaafd dat hij bij de geloofwaardigheidsbeoordeling mag meewegen dat eiseres bij haar eerdere asielaanvraag niets heeft verklaard over haar seksuele gerichtheid. [6] De minister stelt dat dit niet de enige reden is waarom het asielmotief ongeloofwaardig is gevonden; er heeft namelijk een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsgevonden. Het asielmotief is alsnog beoordeeld als nieuw element of omstandigheid conform WI 2019/17.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielmotief dat eiseres niet al tijdens de eerste asielprocedure melding heeft gemaakt van haar seksuele gerichtheid. De rechtbank wijst erop dat in paragraaf C1/4.9 van de Vc [7] staat dat de minister de opvolgende aanvraag niet als ‘niet-ontvankelijk’ mag afdoen als alsnog een lhbti-asielmotief wordt aangevoerd. Dat betekent echter niet dat het niet eerder aanvoeren van dit asielmotief niet mag meewegen bij de beoordeling. [8] Verder staat in WI 2019/17 [9] dat de aanvraag niet enkel op deze grond niet-ontvankelijk mag worden verklaard. In het geval van eiseres is het niet eerder aanvoeren van de seksuele gerichtheid echter niet de enige factor geweest die de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken, maar een van de factoren.
5.4.
Hetgeen door eiseres is aangevoerd is onvoldoende reden om niet mee te wegen dat eiseres in haar eerste asielprocedure haar geaardheid niet heeft genoemd, zelfs niet summier. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat eiseres bij haar eerste asielaanvraag voldoende gelegenheid heeft gekregen om over haar seksuele gerichtheid en haar problemen daardoor te verklaren. De minister heeft mogen stellen dat angst geen verschoonbare reden was om daarover niet te verklaren, nu eiseres stelt dat juist de seksuele gerichtheid de reden was van haar vlucht uit haar land van herkomst. Daarbij is ook van belang dat in de vorige asielaanvraag is aangevoerd dat eiseres ervan beschuldigd werd dat zij op haar school meisjes lesbisch gedrag aanleerde. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat het bevreemdend is dat eiseres toen niet over haar seksuele gerichtheid heeft durven verklaren.
Eiseres heeft tegenstrijdig verklaard over de relatie met een Nederlandse man
5.5.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij slechts een vriendschappelijke relatie met deze man had en dat er nooit sprake is geweest van een liefdesrelatie. Ter ondersteuning hiervan heeft eiseres een verklaring van de betreffende persoon overgelegd.
5.6.
De minister stelt dat eiseres enerzijds heeft verklaard haar seksuele gerichtheid in 2000 te hebben geaccepteerd maar dat zij anderzijds heeft verklaard dat zij sinds 2019 een relatie had met een Nederlandse man. [10] De minister acht dit tegenstrijdig en weegt dit mee bij de ongeloofwaardigheid.
5.7.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres op dit punt tegenstrijdig heeft verklaard. De rechtbank overweegt daarbij dat eiseres bij het eerste gehoor heeft verklaard [11] dat zij niet getrouwd is, maar wel een vriend heeft. Zij verklaart desgevraagd verder dat zij deze relatie sinds 2019 heeft en wat zijn naam is. [12] In de correcties en aanvullingen is dit niet gewijzigd. Verder heeft eiseres bij het nader gehoor verklaard [13] dat zij in Nederland een vriend heeft, dat hij gewoon haar vriend is, dat zij aan het daten zijn en dat zij niet getrouwd zijn. Bij de correcties en aanvullingen op dit gehoor is vervolgens vermeld: “Blz. 23: We zijn niet getrouwd, aanv.: maar wonen wel samen.” Dat eiseres nu stelt dat onder ‘samenwonen’ moet worden verstaan: ‘samenwonen als in één huis wonen’ acht de rechtbank een onvoldoende weerlegging van de eerdere nadrukkelijke aanvulling dat eiseres niet getrouwd is maar wel samenwoont. De overgelegde verklaring overtuigt ook onvoldoende van het tegendeel omdat deze niets zegt over het verleden. De minister heeft de verklaringen van eiseres tegenstrijdig kunnen vinden ten aanzien van het latere asielmotief ‘seksuele gerichtheid’.
Eiseres heeft oppervlakkig verklaard over haar gedwongen huwelijk met haar man
5.8.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij voldoende uitgebreid heeft verklaard en dat onduidelijk is waarom de minister de verklaringen oppervlakkig noemt. Als de minister de verklaringen oppervlakkig vond, had bij het gehoor op dit punt verder doorgevraagd moeten worden.
5.9.
De minister stelt dat eiseres geen inzicht heeft gegeven in wat het voor haar betekende om als lesbische vrouw te moeten leven met een man. De minister stelt dat van eiseres verwacht kon worden hierover diepgaander te verklaren omdat zij van 1995 tot 2013 met deze man getrouwd was. Zij was bovendien in deze periode maar één jaar minderjarig. Daarnaast stelt eiseres dat zij al langere tijd wist van haar gerichtheid en dat zij, tijdens het huwelijk, vanaf 2000 een relatie gehad met een vrouw heeft gehad.
5.10.
De rechtbank oordeelt dat de minister eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat zij oppervlakkig heeft verklaard over haar huwelijk. Bij het gehoor opvolgende aanvraag [14] zijn aan eiseres een aantal concrete vragen gesteld waarop eiseres alleen korte en weinig diepgaande antwoorden heeft gegeven. Op de vragen over hoe het voor haar was dat zij met deze voor haar onbekende man mee moest gaan, heeft eiseres geantwoord dat ze geen keuze had, dat ze gedwongen was om te trouwen omdat ze iets fout had gedaan en dat ze zich heel slecht voelde. Op de vraag over hoe het was om kinderen met deze man te krijgen antwoordt eiseres alleen dat de kinderen haar vrienden/vriendinnen en dat ze blij is als ze bij hen is. Op de vraag hoe het voelde om een relatie te hebben met een vrouw en tegelijkertijd een man te hebben heeft eiseres geantwoord dat ze blij was met de relatie met een vrouw en dat ze heel verliefd op haar was; haar man heeft ze gebruikt om geen problemen te krijgen.
5.11.
De minister wijst er in dit kader ook niet ten onrechte op dat eiseres achttien jaar getrouwd is geweest terwijl ze stelt al die tijd lesbische gevoelens te hebben gehad, en dat die gevoelens tijdens dat huwelijk hebben geleid tot een relatie van dertien jaar met een vrouw. De rechtbank betrekt bij haar oordeel ook dat eiseres ten tijde van het afnemen van het gehoor opvolgende aanvraag al geruime tijd in Nederland was waar de door haar gestelde seksuele gerichtheid geen probleem is. Bovendien mag verondersteld worden dat zij wist wat er bij een dergelijk gehoor van haar zou worden verwacht. De minister heeft de verklaringen daarom oppervlakkig mogen vinden.
Eiseres heeft summier verklaard over haar relatie met een vrouw tijdens haar huwelijk
5.12.
Eiseres stelt dat haar bij het gehoor niet goed duidelijk was wat van haar verwacht werd op het punt van diepgang, emotionele betekenis en groei in de relatie met deze vrouw. Indien eiseres te vaag zou hebben verklaard had zij daarop, mede gezien de samenwerkingsverplichting, gewezen moeten worden. Dit is onvoldoende gebeurd.
5.13.
De minister handhaaft dat eiseres over deze relatie summier heeft verklaard. Van eiseres had meer verwacht mogen worden omdat zij stelt dertien jaar lang een lesbische relatie te hebben gehad, die daarmee een belangrijke rol heeft gespeeld in haar seksuele gerichtheid. Ondanks dat eiseres afkomstig is uit een land waar lhbti-gerichtheid niet wordt geaccepteerd had van eiseres verwacht mogen worden dat zij met haar eigen woordenschat uitgebreider had kunnen vertellen over haar gevoelens over de relatie. Zij was ten tijde van de relatie (jong)volwassen, en ten tijde van het gehoor volwassen.
5.14.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen stellen dat de verklaringen over de relatie met een vrouw summier zijn. Bij het gehoor opvolgende aanvraag [15] verklaart eiseres dat zij liefdesgevoelens had gekregen, dat ze met haar wilde blijven en dat dat heel goed voelde. [16] Even verderop verklaart eiseres dat ze deze vrouw heel bijzonder, liefdevol en heel aardig vond, en dat ze erg jaloers was. [17] In het voornemen heeft de minister beschreven waarom in de verklaringen van eiseres diepgang, emotionele betekenis en een beschrijving van groei in de relatie ontbreken. [18] Gezien het feit dat de gestelde relatie tijdens het huwelijk van eiseres is ontstaan, 13 jaar heeft geduurd, en dat eiseres 22 jaar was toen de relatie begon en dat zij bij het gehoor 46 jaar was, heeft de minister zich op dit standpunt kunnen stellen. De minister heeft ook niet ten onrechte overwogen dat het feit dat eiseres afkomstig is uit een lhbti-vijandig land niet wegneemt dat zij diepgaander had kunnen verklaren over deze relatie.
5.15.
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd is onvoldoende om de overwegingen van de minister te weerspreken. Eiseres is voldoende in de gelegenheid gesteld om over dit onderwerp uitgebreider te verklaren. Haar referentiekader en het feit dat zij afkomstig is uit een lhbti-vijandig land zijn onvoldoende argumenten om aan te nemen dat zij niet in staat zou zijn geweest om meer te verklaren dan zij heeft gedaan.
De overgelegde rapporten en verklaring
5.16.
Eiseres heeft aangevoerd dat onduidelijk is hoe in de beoordeling rekening is gehouden met de door haar overgelegde rapporten en verklaringen van derden.
5.17.
De minister heeft in paragraaf 3.3. van het bestreden besluit aangegeven dat de rapporten van LGBT+ Asylum Support van 16 november 2024 en 11 januari 2025 en de verklaring van COC Leiden alsnog zijn meegewogen en bij de beoordeling betrokken.
5.18.
De rechtbank oordeelt dat de minister in paragraaf 3.3. van het bestreden besluit deugdelijk heeft toegelicht hoe de door eiseres overgelegde rapporten van LGBT+ Asylum Support van 16 november 2024 en 11 januari 2025 en de verklaring van COC Leiden van 17 november 2024 bij de beoordeling zijn betrokken. De minister is kenbaar ingegaan op alle stukken en ingediende argumenten. Eiseres heeft in het beroepschrift volstaan met een herhaling van de beroepsgrond uit de vorige procedure en daarmee niet concreet aangegeven op welke punten de bespreking van de genoemde documenten nu tekortschiet. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank met de overgelegde documenten niet kunnen wegnemen dat haar verklaringen over haar eigen ervaringen ontoereikend zijn. [19]
Lhbti-coördinatoren zijn niet geraadpleegd
5.19.
Eiseres heeft aangevoerd dat onduidelijk is wat de lhbti-coördinatoren hebben aangegeven. Voor elk besluit waarin een lhbti-motief speelt moet een lhbti-coördinator geraadpleegd worden.
5.20.
Desgevraagd heeft de minister aan de rechtbank bericht dat de lhbti-coördinator voorafgaand aan het nemen van het besluit van het 28 april 2025 is geraadpleegd.
5.21.
De rechtbank oordeelt dat de minister hiermee heeft voldaan aan hetgeen hierover in de WI 2019/17 is vermeld.
Slotsom
6. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat eiseres haar gestelde seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft weten te maken. Hetgeen door eiseres in beroep voor het overige naar voren is gebracht kan niet afdoen aan de door de minister gegeven uitleg en de daaruit getrokken conclusie.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen verblijfsvergunning asiel krijgt. Ook voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Uitspraak van 26 oktober 2021 (zaaknummer NL21.9628).
3.Uitspraak van 25 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:2787).
4.WI 2019/17 Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd.
5.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 26 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:300.
6.Paragraaf 2.1.1. van het voornemen van 20 november 2024 en bladzijde 3 van het bestreden besluit.
7.Vreemdelingencirculaire.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 24 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1403, r.o. 4.1. en de uitspraak van 23 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:246, r.o. 9.
9.Zie paragraaf 4.
10.Paragraaf 2.1.4. van het voornemen en bladzijde 6, derde alinea van het bestreden besluit.
11.Eerste gehoor van 17 februari 2021, bladzijde 6.
12.Eerste gehoor van 17 februari 2021, bladzijde 7.
13.Nader gehoor van 7 april 2021, bladzijde 23.
14.Gehoor opvolgende aanvraag, bladzijde 19 en 20.
15.Gehoor opvolgende aanvraag, bladzijde 21
16.Gehoor opvolgende aanvraag, bladzijde 20.
17.Gehoor opvolgende aanvraag, bladzijde 21.
18.Voornemen, bladzijde 7 en 8.
19.Zie onder andere de uitspraak van de ABRvS van 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1121.