ECLI:NL:RBDHA:2025:13246
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting Poolse onderdaan naar Polen
Een Poolse onderdaan verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die de minister verbiedt hem uit te zetten naar Polen. Hij baseerde dit verzoek op een asielwens, bescherming van zijn privé- en familieleven en het argument dat hij Nederland meerdere malen heeft verlaten, waardoor de terugkeerverplichting zou zijn uitgewerkt.
De minister stelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die rechtmatig verblijf in Nederland zouden rechtvaardigen en dat de asielaanvraag niet-ontvankelijk was verklaard. Ook was de uitzetting niet in strijd met artikel 3 of Pro 8 van het EVRM. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting beperkt is tot de wijze van uitvoering en dat nieuwe feiten moeten worden aangevoerd om de rechtmatigheid te betwisten.
De voorzieningenrechter concludeerde dat de verzoeker geen nieuwe feiten had aangevoerd die de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel trekken. Ook was geen sprake van een beschermingswaardig privé- of familieleven of schending van het refoulementbeginsel. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en hoger beroep of verzet is uitgesloten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Polen wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten en geen schending van EVRM-artikelen.