Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op zijn asielaanvraag van 22 oktober 2023. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet alsnog binnen twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Daarbij verwijst zij naar het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar constateert dat de maximale beslistermijn van 21 maanden wordt overschreden. Daarom legt de rechtbank een kortere beslistermijn op, namelijk tot uiterlijk 19 augustus 2025, vier weken na het nader gehoor van 19 juni 2025.
De minister wordt verplicht binnen deze termijn een besluit te nemen. Voor het geval de minister deze termijn overschrijdt, legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting door rechter A.G.D. Overmars en griffier B.A. Smit. De rechtbank benadrukt dat de termijn redelijk is en de minister voldoende tijd biedt om zorgvuldig te beslissen.