ECLI:NL:RBDHA:2025:13372

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
NL24.19219
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 31 lid 1 Vw 2000Paragraaf C2/3.2.6 Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vluchtelingenstatus ondanks discriminatie in Turkije

Eiseres, afkomstig uit Syrië en met de Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd afgewezen en waartegen zij beroep instelde. De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat hoewel eiseres discriminatie ervaart in Turkije, deze niet van dien aard is dat zij niet op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

De minister oordeelde dat eiseres ondanks haar Syrische afkomst en discriminatie in Turkije toegang had tot onderwijs, medische zorg en overheidsdiensten, en dat zij zich zeven jaar staande heeft weten te houden. De rechtbank vond dat de minister zijn besluit voldoende had gemotiveerd en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.

Eiseres voerde aan dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door onvoldoende informatie te verzamelen en de discriminatie te bagatelliseren, maar de rechtbank verwierp dit betoog. Het beroep werd ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.19219

uitspraak van de enkelvoudige kamer van [datum] in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen
[kind 1], v-nummer: [nummer 2]
[kind 2], v-nummer: [nummer 3]
(gemachtigde: [naam gemachtigde]),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Inleiding

1. In zijn besluit van 11 april 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Hierbij is tevens bepaald dat aan haar geen verblijfsvergunning regulier wordt verleend en er geen toepassing wordt gegeven aan artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook is een terugkeerbesluit opgelegd op basis waarvan eiseres binnen vier weken dient terug te keren naar Turkije.
1.1.
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres is zelf niet ter zitting verschenen. Het beroep is gelijktijdig behandeld met het beroep van de echtgenoot van eiseres tegen de afwijzing van de door hem ingediende asielaanvraag. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het besluit om haar aanvraag af te wijzen in stand blijft. Dit betekent dat ook het terugkeerbesluit in stand blijft. Hieronder wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Asielrelaas
3. Eiseres heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres is geboren in Syrië. Zij is 2015 samen met haar ouders vanuit Syrië naar Turkije gevlucht vanwege de oorlog. Haar broers waren dienstplichtig en eiseres en haar familie liepen gevaar omdat zij kritiek hadden op het regime. Ook kon zij in Syrië niet studeren. Eiseres is getrouwd met een Syrische man en heeft twee kinderen. Haar zoon is geboren toen eiseres al in Nederland was. Eiseres heeft, net als haar man, de Turkse nationaliteit.
Eiseres studeerde in Turkije aan de universiteit. Zij kon haar studie niet afronden omdat zij werd gediscrimineerd omdat zij uit Syrië komt. Eiseres heeft bij haar bevalling problemen ondervonden met de zorg. Zij kon als Syrische moeilijk een afspraak maken en kreeg niet de juiste nazorg. Eiseres vreest dat haar kinderen, net als die van haar broer, zullen worden gediscrimineerd als zij naar school gaan.
Bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De algemeen onveilige situatie in Syrië en het feit dat verder studeren voor eiseres onmogelijk was;
Drie broers van eiseres zijn dienstplichtig en hebben kritiek geuit op de Syrische autoriteiten via sociale media;
Eiseres heeft discriminatie ervaren in Turkije.
De minister acht alle vier de asielmotieven geloofwaardig. Hij heeft echter de asielmotieven 2 en 3 niet in de beoordeling betrokken omdat eiseres zowel de Syrische als de Turkse nationaliteit heeft en de minister heeft getoetst of eiseres kan terugkeren naar Turkije.
De minister heeft geconcludeerd dat uit de verklaringen van eiseres niet blijkt dat zij gegronde vrees voor vervolging heeft in Turkije en zij niet is aan te merken als vluchteling. De minister stelt zich op het standpunt dat de discriminatie die eiseres heeft meegemaakt niet een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor haar onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiseres heeft planologie kunnen studeren aan de universiteit en haar vakken kunnen afmaken. Dat zij nog niet is geslaagd voor een project omdat de docent haar niet liet slagen, betekent niet dat zij niet kan afstuderen. Ook is gebleken dat eiseres toegang heeft tot UYAP [2] en e-devlet [3] , is behandeld in het ziekenhuis en van 2015 tot 2022 in Turkije heeft kunnen wonen met haar gezin
Juridisch kader
5. In artikel 29 van Pro de Vw 2000 is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel wordt verleend aan een verdragsvluchteling of een persoon die gegronde vrees heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Een aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen [4] .
5.1.
Discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers kan worden gezien als daad van vervolging als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. [5] In de rechtspraak is invulling gegeven aan dit criterium. Er wordt in elk geval aangenomen dat de vreemdeling heeft kunnen functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied als de vreemdeling in het land van herkomst heeft kunnen werken en in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien, [6] als hij een opleiding heeft genoten [7] , onderdak heeft gehad en/of niet is gebleken dat medische zorg is geweigerd. [8]
Loopt eiseres een risico op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag omdat zij wordt gediscrimineerd?
6. Eiseres betoogt dat, anders dan de minister stelt, de discriminatie die zij heeft meegemaakt haar dusdanig heeft beperkt in haar dagelijks leven dat zij voor bescherming in aanmerking dient te komen. Syriërs hebben in Turkije te maken met geweld. Werkgevers behandelen hen slecht en het is voor hen moeilijk om (passende) woonruimte te vinden. Hierin wordt geen onderscheid gemaakt tussen Syriërs met een tijdelijke beschermingsstatus en Syriërs met de Turkse nationaliteit. De minister heeft zijn besluit niet goed gemotiveerd en ten onrechte gekeken naar wat eiseres wel kan, waar hij had moeten kijken naar het feit dat zij structureel is achtergesteld bij mensen met alleen de Turkse nationaliteit en dat zij daardoor werd beperkt in haar bestaansmogelijkheden. De minister heeft de landeninformatie niet goed gebruikt om de verklaringen van eiser mee te controleren, terwijl dat wel had gemoeten op basis van de samenwerkingsplicht. Uit de door eiseres overlegde nieuwsberichten blijkt dat het racisme tegen Syriërs toeneemt. Dit leidt tot agressie, zowel verbaal als fysiek. Dit beeld wordt bevestigd door de informatie uit het document van VluchtelingenWerk Nederland (VWN). Er gaan geruchten dat de Turkse autoriteiten recent de Turkse nationaliteit zouden hebben ingetrokken van een groot aantal genationaliseerde Syriërs. Eiseres heeft een bijdrage van een advocaat bijgevoegd waaruit blijkt dat de wet die mogelijkheid biedt. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij meent dat er in Turkije sprake is van structurele discriminatie van Syriërs. Het individuele geval lijkt niet ernstig, maar de optelsom van alle voorvallen is dat wel.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit het asielrelaas van eiseres blijkt dat zij wordt gediscrimineerd vanwege haar Syrische afkomst, maar de discriminatie die zij ervaart als etnische Syriër in Turkije onvoldoende zwaarwegend is om te concluderen dat zij ernstig wordt beperkt in haar deelname aan het sociaalmaatschappelijk verkeer. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze conclusie onjuist is en daarin is zij niet geslaagd. De door eiseres overgelegde landeninformatie is verstrekt zonder context of toelichting. Er is niet uitgelegd hoe de informatie van VWN van toepassing is op de haar persoonlijke situatie. Hoewel uit die informatie volgt dat Syrische vluchtelingen worden teruggestuurd naar Syrië, concludeert de minister dat dat niet van toepassing op eiseres omdat zij de Turkse nationaliteit bezit. Ook het feit dat hieruit volgt dat Syriërs worden gediscrimineerd is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er in het geval van eiseres sprake is van vluchtelingschap. Eiseres heeft zich desondanks zeven jaar staande weten te houden en zij heeft in Turkije gewoond en gestudeerd. Hoewel het hebben van toegang tot UYAP en e-devlet en het hebben van een paspoort op zichzelf geen bewijs is dat iemand maatschappelijk normaal kan functioneren, weegt de minister dit wel mee in de totale beoordeling of iemand zich staande kan houden in het betreffende land. Deze middelen geven makkelijker toegang tot de rechtspraak en de hulp van de Turkse overheid. Uit de stukken blijkt ook dat eiseres hier ook gebruik van heeft gemaakt. Het enkele feit dat eiseres verwacht dat haar kinderen zullen worden gediscrimineerd vanwege hun Syrische afkomst is niet voldoende om vluchtelingschap aan te nemen. Hierbij weegt de minister mee dat zij nog erg jong zijn en Turks kunnen leren. De minister leidt uit de verklaringen van eiseres af dat zij weliswaar problemen heeft ondervonden bij het verkrijgen van zorg, maar dat hieruit ook blijkt dat zij wel toegang tot zorg had. Zij is medisch bijgestaan tijdens haar bevalling. Hieruit volgt dus niet dat eiseres geen deel kon nemen aan de maatschappij.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het beroepsschrift weliswaar benadrukt dat hij wordt gediscrimineerd en dat hij hierdoor wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden, maar dat dat door de minister niet wordt betwist. Echter, zoals de minister het in zijn voornemen terecht uitlegt, wordt niet iedere beperking van de mensenrechten per definitie gezien als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Er zal sprake moeten zijn van een bepaalde intensiteit van de schending van het betreffende mensenrecht. [9]
6.2.1.
Discriminatie wordt pas gezien als een daad van vervolging als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiseres dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft te maken gehad met discriminatie, zij is anders behandeld dan mensen met alleen de Turkse nationaliteit en zij heeft vervelende situaties meegemaakt. Zij heeft zich echter ondanks die problemen zeven jaar staande weten te houden en heeft in Turkije gewoond en gestudeerd. Hetgeen blijkt uit de overgelegde nieuwsberichten, de landeninformatie en de informatie van VWN maakt dit niet anders. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat zij als gevolg daarvan dermate is beperkt in haar mogelijkheden dat sprake is van een reëel risico op vervolging. Ook niet als een opstelsom wordt gemaakt van alles wat eiseres heeft ervaren.
6.2.2.
Kortom: de rechtbank oordeelt dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres weliswaar is gediscrimineerd, maar niet in een zodanige mate dat dit kan worden gezien als daad van vervolging. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister onzorgvuldig gehandeld door de wijze waarop hij in dit dossier met informatie is omgegaan?
7. Eiseres betoogt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door niet alle informatie te vergaren die relevant is voor het te nemen besluit. Het gaat erom dat de positie van eiseres compleet anders is dan de positie van mensen met alleen de Turkse nationaliteit. De minister heeft de verklaringen van eiseres op diverse onderdelen niet goed begrepen of niet goed geïnterpreteerd. Ook heeft de minister zaken ingekleurd, waar hij eiseres middels een nader gehoor had moeten vragen wat zij precies heeft bedoeld met haar stellingen. De minister heeft bovendien de landeninformatie niet goed gebruikt om de verklaringen van eiseres mee te controleren, terwijl dat wel had gemoeten op basis van de samenwerkingsplicht. Dit terwijl het beeld over structurele discriminatie dat eiseres schetst ook blijkt uit de landeninformatie.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in zijn besluit heeft benoemd wat hij toetst en welke aspecten en welke informatie hij daarbij heeft betrokken. Hierbij is inzicht gegeven in de aspecten die de minister in aanmerking neemt bij de beoordeling of sprake is van discriminatie die leidt tot vluchtelingschap. Daarbij is die informatie betrokken die de minister nodig had om na te gaan of eiseres op maatschappelijk en sociaal gebied heeft kunnen functioneren. De betrokken aspecten betreffen toegang tot onderwijs, medische zorg, huisvesting en de mogelijkheid tot het verkrijgen van documenten. De uitkomst van de toets is ook helder gemotiveerd en volgt logisch uit de overwegingen. Dat eiseres meent dat de minister tot een andere conclusie had moeten komen betekent niet dat de minister meer informatie had moeten betrekken, had moeten onderzoeken of hij zaken verkeerd heeft geïnterpreteerd of dat hij zaken heeft ingekleurd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de minister haar asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Hierdoor is ook het terugkeerbesluit terecht opgelegd. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL24.19220.
2.UYAP staat voor "Uyap Yargı Bilişim Sistemi", wat "Justitie Informatie- en Communicatiesysteem" betekent. Het is een digitaal systeem dat gebruikt wordt bij Turkse rechtszaken.
3.Dit is een algemene term voor elektronische overheidsdiensten. Het is een platform waar burgers toegang hebben tot verschillende online overheidsdiensten, waaronder die van het Ministerie van Justitie.
4.Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
5.Paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
6.ABRvS 17 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1092, r.o. 4.1.
7.Rb. Den Haag 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16439, r.o. 6.2.
8.Onder meer: Rb. Den Haag, zp. Middelburg 3 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:81, r.o. 14.
9.Die intensiteit is uitgewerkt in C2/3.2.6 van de Vc 2000.