ECLI:NL:RBDHA:2025:13387
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, is op 23 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van bewaring duurt voort en eiser heeft tegen het voortduren hiervan beroep ingesteld en tevens schadevergoeding gevorderd.
De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 30 april 2025, het moment van sluiting van het onderzoek in het eerdere beroep. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij zijn uitzetting, omdat de vlucht pas op 3 juli 2025 werd geboekt terwijl het laissez-passer al op 27 juni 2025 was afgegeven. Ook stelt eiser subsidiair dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld: de Marokkaanse autoriteiten bevestigden de nationaliteit en verstrekten het laissez-passer tijdig, waarna de vlucht werd geboekt. Verder is het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt nog steeds aanwezig, mede omdat eiser tijdens het vertrekgesprek aangaf niet mee te willen werken aan vertrek. Er is geen sprake van disproportionaliteit of onrechtmatigheid in het voortduren van de bewaring.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.