De rechtbank Den Haag behandelt de beroepen van eisers tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun asielaanvragen van 1 juli 2023. De minister had deze aanvragen aanvankelijk buiten behandeling gesteld, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat dit geen definitief besluit was en dat Nederland verantwoordelijk werd voor de behandeling na een uitgestelde Dublinoverdracht per 6 maart 2024.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen een redelijke termijn heeft beslist. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen, rekening houdend met het 8+8 wekenmodel en de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,- voor alle zaken gezamenlijk. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van € 453,50 wegens samenhangende zaken en nagenoeg identieke werkzaamheden van de gemachtigde.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De minister wordt opgedragen binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen om verdere dwangsommen te voorkomen.