ECLI:NL:RBDHA:2025:13566
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vluchtelingschap en discriminatie
Eiser, geboren in Syrië en met de Turkse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 11 april 2024 werd afgewezen. De minister oordeelde dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging in Turkije heeft en dat de ervaren discriminatie niet ernstig genoeg is om bescherming te rechtvaardigen. Eiser voerde aan dat hij vanwege zijn Syrische afkomst structureel wordt gediscrimineerd en daardoor sociaal-maatschappelijk ernstig beperkt is.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2025 behandeld en concludeert dat hoewel eiser discriminatie heeft ondervonden, hij zich gedurende tien jaar in Turkije heeft weten te handhaven, heeft gewerkt en toegang had tot voorzieningen zoals gezondheidszorg en juridische systemen. De minister heeft zijn besluit voldoende gemotiveerd en de informatie over discriminatie is onvoldoende concreet toegelicht in relatie tot de persoonlijke situatie van eiser.
De rechtbank oordeelt dat de discriminatie niet de intensiteit heeft die vereist is om als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag te gelden. Ook is de klacht over onzorgvuldigheid van de minister ongegrond, omdat de minister alle relevante informatie heeft betrokken en gemotiveerd heeft beoordeeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het terugkeerbesluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.