Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder was door de rechtbank Arnhem een termijn van acht weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Deze termijn is inmiddels ruim overschreden, namelijk met 21 maanden.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke termijn die eerder was gesteld en inmiddels verstreken is. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op, rekening houdend met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en de reeds gedane hoorzitting en zienswijze.
Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom opgelegd van €250 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €37.500. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50 vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het geschil.