ECLI:NL:RBDHA:2025:13854
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet tijdig besluit over machtiging tot voorlopig verblijf nareis asiel; oplegging nadere beslistermijn en dwangsommen
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor verblijf bij een referent. De aanvraag was ingediend op 14 augustus 2024, waarna verweerder de beslistermijn met drie maanden verlengde, waardoor uiterlijk 12 februari 2025 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is verstreken zonder besluit, waarna eiseres verweerder op 13 februari 2025 rechtsgeldig in gebreke stelde en op 10 maart 2025 beroep instelde.
De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig is ingediend en kennelijk gegrond is. Gelet op de bijzondere aard van aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning, legt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere beslistermijn op dan de standaard twee weken. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen, tenzij nader onderzoek wordt aangekondigd, waarna de termijn twintig weken bedraagt.
Verder legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Verweerder is reeds een bedrag van €1.442 aan bestuurlijke dwangsommen verschuldigd. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 en het betaalde griffierecht van €187. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 28 juli 2025 en zonder zitting uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder dreiging van dwangsommen.