Eiser, een Syrische nationaliteit dragende vreemdeling, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn maatregel van vreemdelingenbewaring die op 13 juni 2025 is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Hij stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij zijn overdracht naar Bulgarije en dat er geen zicht was op overdracht binnen een redelijke termijn. Tevens verzocht hij om schadevergoeding.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel tot 25 juni 2025 rechtmatig was en richt zich bij de beoordeling op het voortduren van de maatregel daarna. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de overdracht gepland stond op 16 juli 2025, maar door capaciteitsgebrek bij de Koninklijke Marechaussee is uitgesteld tot 23 juli 2025. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, gezien de tijdige stappen zoals het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag, het verzenden van de vluchtaanvraag en het vertrekgesprek met eiser.
De noodzaak van escortes voor de overdracht hoeft niet nader gemotiveerd te worden en eiser heeft dit ook niet betwist. De rechtbank concludeert dat er zicht is op overdracht binnen een redelijke termijn en dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.