ECLI:NL:RBDHA:2025:13989

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
NL24.15867 en NL23.19584
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning Turkse ondernemer op basis van mvv-vereiste

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 13 juni 2025 uitspraak gedaan over de aanvraag van een Turkse eiser voor een verblijfsvergunning om als ondernemer in Nederland te kunnen werken. De eiser, die eerder naar Nederland kon komen om zijn verblijfsvergunning te regelen, wordt geconfronteerd met een nieuwe regeling die sinds 1 oktober 2022 van kracht is. Deze regeling vereist dat Turkse staatsburgers eerst een 'machtiging voor voorlopig verblijf' (mvv) in Turkije aanvragen voordat ze naar Nederland kunnen komen. De eiser betoogt dat deze regeling in strijd is met de verdragen tussen Turkije en de Europese Unie en met het discriminatieverbod. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de nieuwe regeling niet in strijd is met de wetgeving en dat de afwijzing van de aanvraag van de eiser terecht is. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de mvv en dat de afwijzing van zijn aanvraag niet in strijd is met het associatierecht tussen Turkije en de EU. De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard en de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen, waardoor de eiser terug naar Turkije moet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.15867 (beroep)
NL23.19584 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde mr. G. Erdal).

Samenvatting

1. Eiser komt uit Turkije. Hij wil een verblijfsvergunning om in Nederland als ondernemer te kunnen werken. Vroeger kon hij naar Nederland komen om dat te regelen. Sinds 1 oktober 2022 moeten Turkse staatsburgers echter eerst een ‘machtiging voor voorlopig verblijf’ (mvv) in Turkije aanvragen. Pas als ze die hebben gehad, kunnen ze naar Nederland komen en hier een verblijfsvergunning krijgen.
1.1.
Eiser vindt dat deze nieuwe regeling in strijd is met de verdragen die Turkije en de Europese Unie hebben gesloten. Ook is die regeling volgens eiser in strijd met het discriminatieverbod. Eiser is naar Nederland gekomen, is aan het werk gegaan en heeft een verblijfsvergunning aangevraagd.
1.2.
Deze rechtbank en zittingsplaats is al eerder akkoord gegaan met de nieuwe regeling. [1] In deze procedure zijn een aantal nieuwe argumenten aangevoerd. Die argumenten leiden echter niet tot een andere conclusie. Dus heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning terecht afgewezen. Hij moet terug naar Turkije.

Procesverloop

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing
van zijn aanvraag van 13 maart 2023 voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening.
2.1.
Verweerder heeft deze aanvraag in het primaire besluit van 7 juni 2023 afgewezen. In het bestreden besluit van 13 maart 2024 naar aanleiding van het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorzienig op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, mr. B. Aydin als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en B. Epozdemir als tolk deelgenomen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
3. Eiser is geboren op [datum] 1972 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend voor het verrichten van arbeid als zelfstandige
.Verweerder heeft eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning met het primaire besluit afgewezen omdat hij geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft. Eiser voldoet volgens verweerder niet aan de voorwaarden uit paragraaf B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en daarom is zijn uitzetting niet in strijd met het tussen Turkije en de Europese Unie bestaande associatierecht [2] . Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft het bezwaar van eiser in het bestreden besluit ongegrond
verklaard. Verweerder volgt eiser niet in zijn stelling dat de aanvraag niet mag worden afgewezen omdat hij geen mvv heeft. Het op 1 oktober 2022 ingevoerde mvv-vereiste voor Turkse staatsburgers is een aanscherping in de zin van de standstillbepaling in artikel 41 van het Aanvullend Protocol. [3] Die aanscherping is volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) toegestaan als deze kan worden gerechtvaardigd. Dat is volgens verweerder het geval omdat de aanscherping; een rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang, geschikt is om de verwezenlijking van de nagestreefde legitieme doelen te waarborgen en niet verder gaat dan noodzakelijk is om de doelen te verwezenlijken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Verweerder heeft de aanvraag dus kunnen afwijzen omdat eiser geen geldige mvv heeft. De rechtbank zal hierna, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Is er een voldoende wettelijke basis voor het toepassen van het mvv-vereiste voor Turkse onderdanen?
6. De rechtbank is van oordeel dat er een wettelijke basis bestaat voor het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij aanvragen van Turkse onderdanen. De bevoegdheid tot afwijzing van de aanvraag volgt niet enkel uit het beleid. Het heeft zijn grondslag in artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank verwijst hierbij verder naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2024, onder 5.4 en 5.5. [4] Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 juni 2024 [5] slaagt dus niet. Eiser heeft gevraagd om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Gelet op het oordeel van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraken van 25 juli 2024 ziet de rechtbank daar geen aanleiding toe. De beroepsgrond slaagt niet.
Wordt de invoering van het mvv-vereiste verboden door de standstillbepaling?
7. Eisers beroepsgrond dat het invoeren van het mvv-vereiste in strijd is met de standstillbepaling slaagt niet. De rechtbank verwijst hierbij naar de genoemde uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juli 2024, onder 6.1 tot en met 10. Daarin is geoordeeld dat de invoering van het mvv-vereiste niet wordt verboden door de standstillbepaling. Het invoeren van het mvv-vereiste is weliswaar een aanscherping in de zin van de standstillbepaling, maar deze aanscherping kan worden gerechtvaardigd en is daarom toegestaan. Het invoeren van het mvv-vereiste vindt een rechtvaardiging in dwingende redenen van algemeen belang en is geschikt, noodzakelijk en evenredig.
7.1.
De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2024 [6] brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat dit geen vergelijkbare zaak is. In die uitspraak lag voor of de vreemdeling aan het documentatievereiste had voldaan. Dat is in deze zaak anders.
7.2.
Wat eiser heeft aangevoerd in aanvulling op de standpunten in de beroepsprocedures die hebben geleid tot de uitspraken van 25 juli 2024, doet niet af aan het voorgaande. In aanvulling op die uitspraken overweegt de rechtbank het volgende.
7.3.
Zoals eiser terecht stelt, is op dit moment niet gebleken dat van het invoeren van het mvv-vereiste de onder 8.1 van die uitspraken bedoelde prikkel is uitgegaan. Dit blijkt ook niet uit cijfers over 2024, zoals verweerder die in een aantal vergelijkbare beroepsprocedures van Turkse vreemdelingen heeft ingebracht. Er is namelijk niet gebleken dat het aantal Turkse onderdanen dat Nederland illegaal inreist of met een Schengenvisum voor kort verblijf inreist om vervolgens een aanvraag voor een verblijfsvergunning in te dienen en gedurende de behandeling daarvan illegaal arbeid te verrichten, significant afneemt. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat dit niet betekent dat dit in de toekomst ook niet meer kan worden verwacht. Er mag van worden uitgegaan dat het mvv-vereiste tot een afname zal leiden.
7.4.
Eiser heeft ook gesteld dat sinds kort aanvragen voor een verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid van Turkse onderdanen direct aan het loket in Nederland worden afgewezen. Er wordt dus direct beoordeeld of wordt voldaan aan het mvv-vereiste. Als dat niet het geval is, worden de aanvragen nu direct afgewezen. Eerder werd eerst tijdelijk verblijf verleend. Daarom, zo stelt eiser, had het mvv-vereiste niet hoeven te worden ingevoerd. Uit de huidige gang van zaken blijkt dat het eerder ook mogelijk was om direct, aan het loket, te beoordelen of aan het documentatievereiste werd voldaan. Die beoordeling is niet veel anders dan die nu wordt gedaan. De rechtbank volgt eiser niet. Aannemelijk is dat het aan het loket controleren of wordt voldaan aan het documentatievereiste in de praktijk veelal aanzienlijk arbeidsintensiever is. Meer controle aan het loket is, anders dan eiser stelt, geen reëel alternatief voor de invoering van het mvv-vereiste.
7.5.
Eiser heeft ten slotte nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige vanuit Turkije te verkrijgen. Daarbij is mede van belang de door verweerder ter zitting gegeven toelichting dat in dat kader geen onevenredige eisen zullen worden gesteld en dat er nog geen aanvragen zijn ingediend waaruit blijkt dat er nu wel onevenredige eisen worden gesteld. Dat het onmogelijk is om een onderneming vanuit Turkije in de KvK [7] in te schrijven volgt niet uit de website waar eiser naar verwijst. Daar komt bij dat eiser zijn onderneming in Nederland al in de KvK heeft kunnen inschrijven. Dat de KvK hem daaruit uitschrijft als hij naar Turkije gaat om een mvv aan te vragen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Ook kan dit niet zonder meer worden afgeleid uit de stukken over de-registratie die eiser in een aantal vergelijkbare beroepsprocedures van Turkse vreemdelingen heeft ingebracht, zoals verweerder in die procedures ook heeft aangevoerd.
Zijn er bijzondere omstandigheden op grond waarvan eiser moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste of de hardheidsclausule moet worden toegepast?
8. Eiser heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 7 november 2024 [8] van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Daarin is geoordeeld over een passage van het beleid in B1/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) over de vraag wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die tot vrijstelling van het mvv-vereiste moeten leiden. Deze passage luidde toen als volgt: :
“Van belemmeringen van het uitoefenen van voornoemde vrijheden in Nederland is in ieder geval geen sprake als de bijzondere, individuele omstandigheden zien op de:
- politieke, economische of sociale situatie in Turkije;
- persoonlijke omstandigheden in Turkije; of
- (voortzetting van) illegale arbeid in Nederland.”
Volgens de uitspraak van 7 november 2024 ging dit beleid het wettelijk kader van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb [9] te buiten.
8.1.
Eiser heeft in de besluitvormingsfase geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Verweerder heeft daarom niet getoetst aan de geciteerde passage van het beleid. Dat betekent dat de vraag of dit beleid juridisch juist was, niet van belang is voor het oordeel van de rechtbank in deze zaak. Het betekent ook dat de wijziging van het beleid, die volgens eiser naar aanleiding van de uitspraak van 7 november 2024 heeft plaatsgevonden, niet van belang is.
8.2.
Eiser heeft op zitting aangevoerd dat hij niet terug kan naar Turkije omdat zijn eenmanszaak dan zal ophouden te bestaan. Daardoor zal eiser ook geen mvv meer kunnen krijgen voor Nederland. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Verweerder heeft met deze omstandigheden in het bestreden besluit geen rekening kunnen houden omdat die nog niet waren aangevoerd of zich nog niet hadden voorgedaan. De aangevoerde omstandigheden kunnen daarom niet afdoen aan het bestreden besluit. Verder vormen de omstandigheden geen reden voor toepassing van de vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat hij voldoet aan de materiële voorwaarden voor het verlenen van de verblijfsvergunning. Dat betekent dat hij niet voldoet aan het beleid [10] van verweerder op dit punt terwijl naar vaste jurisprudentie dat beleid niet onevenredig is. [11] Het zou verder in strijd zijn met de bedoeling van het mvv-vereiste om rekening te houden met het eventuele ophouden van het bedrijf en verlies van klanten in Nederland, omdat eiser het bedrijf is gestart en klanten heeft geworven terwijl hij wist dat hij geen verblijfsvergunning had.
8.3.
Verweerder heeft ten slotte het beroep op de hardheidsclausule [12] mogen afwijzen, ondanks de aangevoerde omstandigheden. Eiser heeft, mede gezien het voorgaande, onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een onbillijkheid van onevenredige aard.
Is de herinvoering van het mvv-vereiste in strijd met het discriminatieverbod?
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het mvv-vereiste in strijd is met het discriminatieverbod. Dat geldt voor het beroep van eiser op zowel artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als andere bepalingen met een vergelijkbare strekking en het algemene rechtsbeginsel van non-discriminatie. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geconcludeerd, is het invoeren van het mvv-vereiste een nieuwe beperking die haar rechtvaardiging vindt in een dwingende reden van algemeen belang die geschikt, noodzakelijk en evenredig is. Omdat de maatregel een gerechtvaardigde beperking is, is om die reden ook geen sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid op basis van nationaliteit of ras. De rechtbank verwijst naar 11.1 van de genoemde uitspraken van 25 juli 2024, en ook naar 14 tot en met 14.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 november 2024. [13]
9.1.
De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2024 [14] waar eiser in deze zaak ook naar heeft verwezen, doet hier niet aan af. Dit betreft geen vergelijkbare zaak. In die zaak ging het om de vraag of het onderscheid maken naar nationaliteit in het kader van het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod. Dat is in deze zaak niet aan de orde. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom die uitspraak in deze situatie tot een ander oordeel moet leiden.
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank verwijst naar de eerder genoemde uitspraken van 25 juli 2024, onder 12.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag heeft kunnen afwijzen omdat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser ook het griffierecht niet terug.
12. Nu de rechtbank beslist op het beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen reden
meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst
daarom het verzoek daartoe af.
13. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopig voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover het de beslissing over het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Twee uitspraken van 25 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11879 en ECLI:NL:RBDHA:2024:11880
2.De op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70), namens de Gemeenschap gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB 1972, L 293, blz. 1)), en Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie.
3.Zie vorige noot: het Aanvullend Protocol gesloten op 19 december 1972.
7.Kamer van Koophandel
9.Vreemdelingenbesluit 2000.
10.B1/4.1 Vc.
11.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001, 4.5 en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 augustus 2018, ECLI:EU:C:2018:632, Yön, punt 86.
12.Artikel 3.71, derde lid, Vb.