ECLI:NL:RBDHA:2025:14168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.15678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier zelfstandige wegens ontbreken mvv bij Turkse onderdaan

Eiser, een Turkse onderdaan, diende op 20 september 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige. De minister wees deze aanvraag af op 29 november 2023 vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), waarvan eiser niet was vrijgesteld. Ook het bezwaar van eiser werd bij besluit van 24 maart 2025 afgewezen.

Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, waarbij hij betoogde dat het mvv-vereiste niet tegen hem mocht worden toegepast vanwege strijd met het Turks associatierecht. De rechtbank wees erop dat eerdere uitspraken van dezelfde zittingsplaats (1 november 2024 en 9 april 2025) het mvv-vereiste bij Turkse zelfstandigen als gegrond hadden bevestigd.

De rechtbank oordeelde dat de beroepsgronden van eiser identiek waren aan die in eerdere zaken en dat er geen aanleiding was om daarvan af te wijken. Daarom verklaarde zij het beroep ongegrond, handhaafde de afwijzing van de aanvraag en wees zij de proceskosten en griffierecht af. De uitspraak werd gedaan door rechter A.L.M. Steinebach - de Wit op 29 juli 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15678

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige.
1.1.
Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 20 september 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 november 2023 afgewezen omdat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en hij niet van het mvv-vereiste wordt vrijgesteld. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister het mvv-vereiste kan tegenwerpen aan eiser, een Turks onderdaan die een aanvraag voor arbeid als zelfstandige heeft ingediend. Volgens eiser is dat in strijd met het Turks associatierecht.
2.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in een uitspraak van 1 november 2024 een beroep tegen het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij Turkse onderdanen ongegrond verklaard. [2]
2.2.
Eiser heeft in zijn beroepschrift toegelicht waarom hij het niet eens is met die uitspraak en waarom het tegenwerpen van het zelfstandige mvv-vereiste volgens hem niet is toegestaan.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgronden overeenkomen met de gronden die de gemachtigde van eiser in andere procedures naar voren heeft gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft die gronden besproken in een uitspraak van 9 april 2025, waarin is geoordeeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van die uitspraak van 1 november 2024. [3] Aangezien de gronden van eiser identiek zijn, komt de rechtbank onder verwijzing naar die uitspraak van 9 april 2025 tot het oordeel dat ook eisers beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden. Eiser krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 1 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18071.
3.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 9 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5861.