ECLI:NL:RBDHA:2025:14174

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.32849
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting naar Marokko

De minister van Asiel en Migratie heeft op 6 april 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft eerder op dit beroep beslist en ook op een eerste vervolgberoep.

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 11 juni 2025 onrechtmatig is geworden. Eiser stelt dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt, mede omdat de minister maandelijks rappelleert bij de Marokkaanse autoriteiten over de laissez-passer aanvraag. Ook is er maandelijks contact met eiser over zijn vertrek.

De rechtbank vindt dat de minister voldoende voortvarend handelt en dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn terugkeer. Er zijn geen aanwijzingen dat de maatregel onrechtmatig is geworden. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32849

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 6 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 17 april 2025. [1] Bij uitspraak van 16 juni 2025 is beslist op het eerste vervolgberoep. [2]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 24 juli 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 16 juni 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 11 juni 2025) onrechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
2. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [3] De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko in het geval van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat een laissez-passer (lp) aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten nog loopt. Uit de voortgangsrapportage blijkt ook dat de minister maandelijks en voor het laatst op 4 juli 2025 op die aanvraag heeft gerappelleerd.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De minister heeft namelijk alleen een bericht gestuurd naar het consulaat, terwijl eiser aangeeft mee te willen werken.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister maandelijks rappelleert op de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten. Daarbij merkt de rechtbank op dat het aan de minister is om te bepalen welke wijze van rappelleren in een specifiek geval het meest geschikt is. Daarnaast is er maandelijks en voor het laatst op 11 juli 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank acht deze handelingen in het geval van eiser toereikend. De enkele stelling dat eiser wil meewerken aan zijn vertrek, wordt niet gevolgd. Tijdens zijn laatste vertrekgesprek heeft eiser namelijk verklaard dat hij niets heeft gedaan om zijn terugkeer te bespoedigen. Van eiser mag dit wel worden verwacht.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. De rechtbank ziet in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [4]

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb Den Haag, zp. Arnhem, 17 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6665.
2.Rb Den Haag, zp. Arnhem, 16 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10566.
3.Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
4.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.