ECLI:NL:RBDHA:2025:14180

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
25.31592
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 sub a VwArt. 96 lid 3 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring van beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie heeft op 26 mei 2025 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen.

De rechtbank toetst of het voortduren van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 13 juni 2025 rechtmatig is. Eiser stelt dat er geen voortgang is en dat de minister niet heeft onderbouwd dat er zicht is op uitzetting. De rechtbank oordeelt echter dat er wel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije, mede omdat er sinds juni 2025 een vertrekgesprek is gevoerd en twee keer een vlucht is geboekt.

Verder acht de rechtbank de minister voldoende voortvarend in de uitzettingsprocedure. Het ontbreken van een verstrekte laissez-passer vormt geen reden om het tegendeel te veronderstellen. Ook is er geen aanleiding om een lichter middel dan bewaring toe te passen, aangezien eiser geen gronden heeft aangevoerd die daartoe aanleiding geven.

De rechtbank ziet geen onrechtmatigheid in het voortduren van de maatregel en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31592

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K. Diender).

Inleiding

1. De minister heeft op 26 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 19 juni 2025. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 13 juni 2025 rechtmatig is.
Beroepsgrond van eiser
4. Eiser voert aan dat er geen voortgang is en dat verweerder niet heeft onderbouwd dat er zicht is op uitzetting.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt. [3]
5.1.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. In de periode vanaf 13 juni 2025 is er nog een vertrekgesprek gevoerd met eiser, en is er twee keer een vlucht geboekt. Dat er ondanks de toezegging dat er een LP zal worden verstrekt nog geen LP is verstrekt betekent niet dat er onvoldoende voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting.
5.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.