ECLI:NL:RBDHA:2025:14182
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepschrift bij intrekking verblijfsvergunning
Eiser ontving op 4 augustus 2022 een verblijfsvergunning als gezinslid. Na melding van het verbreken van de gezinsband op 1 maart 2023, maakte de minister op 4 april 2023 het voornemen tot intrekking bekend. De verblijfsvergunning werd op 17 oktober 2023 ingetrokken en het bezwaar van eiser werd op 26 april 2024 afgewezen.
Eiser diende het beroepschrift tegen het bestreden besluit op 30 mei 2024 in, zes dagen na de uiterste termijn van 24 mei 2024. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, ondanks dat de gemachtigde technische problemen bij digitale indiening meldde. Er was voldoende tijd om het beroepschrift schriftelijk in te dienen.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt het besluit niet inhoudelijk. De intrekking van de verblijfsvergunning blijft van kracht. Partijen kunnen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van het beroepschrift zonder verschoonbare reden, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft.