ECLI:NL:RBDHA:2025:14184

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.28530
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 8:57 AwbArt. 30, lid 1 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2003/9/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten omdat partijen geen zitting wensten.

De rechtbank oordeelt dat Nederland terecht het verzoek tot overname aan Duitsland heeft gedaan en dat Duitsland dit verzoek heeft aanvaard. Eiseres stelde dat de opvangvoorzieningen in Duitsland gebrekkig zijn en dat haar dochter medische zorg nodig heeft die in Duitsland onvoldoende wordt geboden, wat zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest. Deze stellingen zijn onvoldoende onderbouwd en het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing.

Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de medische situatie van de dochter bijzondere omstandigheden oplevert die overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de minister eiseres aan Duitsland mag overdragen. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de minister mag haar aan Duitsland overdragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28530

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kind,
[naam kind], v-nummer: [nummer 2],
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om overname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mocht de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Volgens haar zijn de opvangvoorzieningen in Duitsland gebrekkig en voldoen deze niet aan de Opvangrichtlijn. [3] Hierdoor loopt zij het risico om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar verschillende AIDA-rapporten, waaruit blijkt dat de voorzieningen in Duitse opvangcentra niet voldoen aan de basisbehoeften, er een gebrek aan privacy is en dat sprake is van incidenten en aanvallen op asielzoekerscentra en op individuele asielzoekers of vluchtelingen. [4] Daarnaast wijst eiseres erop dat zij in Duitsland geen recht heeft op gratis rechtsbijstand. Verder stelt eiseres dat uit onderzoeken in 2020 zou blijken dat in Duitsland sprake is van schendingen van kinderrechten, wat een gevaar oplevert voor de gezondheid van kinderen.
5.1.
Eiseres voert verder aan dat haar dochter lijdt aan een oogaandoening waarvoor zij in Duitsland is behandeld. Eiseres stelt dat zij voor de operatie geen vergoeding heeft ontvangen en dat de operatie negatieve gevolgen heeft gehad voor de gezondheid van haar dochter, die inmiddels verder is verslechterd en een tweede operatie noodzakelijk maakt. Volgens eiseres zal haar dochter, gelet op de eerdergenoemde rapporten, in Duitsland geen adequate zorg ontvangen. Haar dochter zal bovendien geen hulp kunnen krijgen bij het herstel van de operatie, wat onverantwoord is gelet op haar jonge leeftijd en recente medische geschiedenis. Ook dit zou volgens eiseres leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 8 november 2023 [5] geoordeeld dat voor Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024 [6] en 14 februari 2025. [7] De Afdeling heeft in die uitspraken geoordeeld dat het AIDA-rapport over Duitsland (update 2023) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinclaimanten in Duitsland dan volgt uit eerdere rapporten die reeds in eerdere uitspraken zijn betrokken. De AIDA-rapporten update 2021 en 2022 maken dit niet anders, aangezien deze dateren van vóór de uitspraken van de Afdeling waarin de Afdeling heeft overwogen dat ten aanzien van Duitsland nog altijd uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Eiseres is hier niet in geslaagd. Eiseres heeft verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat overdracht aan Duitsland in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ook in het geval van eiseres is niet gebleken dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt. Eiseres heeft namelijk geen medische stukken overgelegd waaruit volgt dat er structurele tekortkomingen zijn in het zorgsysteem in Duitsland. De minister heeft er bovendien terecht op gewezen dat de dochter van eiseres gedurende zes maanden in Duitsland is behandeld en een operatie heeft ondergaan. Niet is gebleken dat de dochter van eiseres in die periode geen toegang heeft gehad tot effectieve zorg. Ook de stelling van eiseres dat in Duitsland inbreuk wordt gemaakt op de rechten van kinderen is onvoldoende onderbouwd. Het betoog dat eiseres in Duitsland geen gratis rechtsbijstand zou kunnen verkrijgen, slaagt niet. De Procedurerichtlijn biedt geen onvoorwaardelijk recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures. Uit artikel 20 en Pro verder van de Procedurerichtlijn volgt dat kosteloze rechtsbijstand niet onbeperkt is en dat daaraan voorwaarden mogen worden gesteld. Mocht eiseres van mening zijn dat Duitsland zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt, dan ligt het op de weg van eiseres om daarover te klagen bij de daartoe bevoegde Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiseres niet kunnen of willen helpen.
Had de minister eisers asielverzoek in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
6. Eiseres betoogt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Zij wijst in dat verband op de medische problemen van haar dochter. Volgens eiseres is de gezondheidstoestand van haar dochter verslechterd als gevolg van een eerdere operatie in Duitsland. Indien niet snel wordt ingegrepen, zou dit kunnen leiden tot onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand. Gezien de negatieve ervaringen in Duitsland en het mislukte resultaat van de eerdere operatie, acht eiseres de kans groot dat in Duitsland niet op de juiste wijze zal worden ingegrepen. Daarnaast voert eiseres aan dat zij in Duitsland geen vergoeding zal ontvangen voor de noodzakelijke vervolgoperatie, waardoor het voor haar financieel onmogelijk is om deze te laten uitvoeren. Eiseres stelt dat zij niet over de middelen beschikt om de behandeling zelf te kunnen bekostigen terwijl deze in Nederland wél vergoed zou worden. Bovendien zal zij in Nederland binnen het asielzoekerscentrum aanvullende zorg voor haar dochter kunnen krijgen. [8]
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar dochter lijdt aan een lichamelijke aandoening die bij overdracht aan Duitsland zou leiden tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand. De enkele stelling dat eiseres de behandelingen niet kan betalen, is daartoe onvoldoende. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter onder specialistische behandeling staat of deze nodig heeft. Er zijn geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om de dochter van eiseres, indien nodig, te behandelen. Daarbij wordt overwogen dat Duitsland dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Er mag daarom verwacht worden dat Duitsland eventuele medische problemen van de dochter van eiseres net zo goed kan behandelen. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat haar dochter bij terugkeer in Duitsland geen toegang heeft tot medische zorg. Eiseres kan bij voorkomende problemen, zoals over de zorgkosten, klagen bij de (hogere) autoriteiten van Duitsland. Niet is gebleken dat eiseres die mogelijkheid niet heeft of dat de autoriteiten van Duitsland haar niet kunnen of willen helpen. De minister heeft dan ook niet ten onrechte gesteld dat de door eisers (gestelde) medische situatie van haar dochter geen bijzondere omstandigheid is die maakt dat de overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid als bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de minister haar aan Duitsland mag overdragen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten.
4.AIDA Country Report: Germany (update 2021), p. 112 en 116, AIDA Country Report: Germany (update 2022), p. 131 en 133 en AIDA Country Report: Germany (update 2023), p. 151-155.
5.ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
6.ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
7.ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
8.[website].