ECLI:NL:RVS:2025:575
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland bevestigd
De minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 5 maart 2024 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een Syrische vreemdeling ingetrokken omdat hij beschikte over een subsidiaire beschermingsstatus in Duitsland, welke bij de aanvraag niet bekend was. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de minister.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat de gemachtigde van de vreemdeling het hogerberoepschrift van de minister niet had ontvangen, waardoor de eerdere uitspraak vervallen werd verklaard en de zaak opnieuw werd behandeld. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht de vergunning heeft ingetrokken omdat het achterhouden van gegevens niet verwijtbaar hoeft te zijn, maar wel doorslaggevend voor de verlening van de vergunning.
De vreemdeling voerde aan dat hij niet wist van zijn beschermingsstatus in Duitsland en dat hij een beschermenswaardig privé- en familieleven in Nederland had opgebouwd. De Afdeling verwierp deze argumenten en concludeerde dat er geen sprake was van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dat de belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling uitviel.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning asiel door de minister wordt bevestigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.