ECLI:NL:RBDHA:2025:14204

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.24532
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag van derdelander uit Oekraïne

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 19 augustus 2022, waarbij de minister in beginsel binnen zes maanden moet beslissen. Omdat eiser een derdelander uit Oekraïne is met tijdelijk verblijfsrecht aldaar, geldt volgens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming een aangepaste beslistermijn tot uiterlijk 5 september 2024.

Eiser stelde de minister op 15 mei 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank acht het beroep gegrond omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op, waarbij binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit moet worden genomen.

Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De rechtbank wijst ook een proceskostenvergoeding toe van €453,50 aan eiser wegens het inschakelen van juridische hulp. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden ondanks lopende prejudiciële vragen over de toepasselijkheid van de Procedurerichtlijn en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de minister krijgt een termijn van zestien weken om alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24532
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
Is het beroep van eiser gegrond?
3. De minister heeft de aanvraag op 19 augustus 2022 ontvangen. In beginsel moet de minister uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Uit het dossier blijkt evenwel dat eiser een zogeheten derdelander uit Oekraïne is, met een tijdelijk verblijfsrecht aldaar. Op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming4 eindigt de tijdelijke bescherming van deze groep personen op 4 maart 2024.5 Dit betekent dat de minister uiterlijk op 5 september 2024 (zes maanden na 5 maart 2024) op de aanvraag van eiser dient te
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Richtlijn 2001/55/EG.
beslissen.
4. Eiser heeft de minister op 15 mei 2025 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6
6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser in deze zaak nog niet is gehoord omtrent zijn asielmotieven. De rechtbank ziet in deze omstandigheid aanleiding om aan de minister een langere nadere beslistermijn dan twee weken op te leggen. In de uitspraak van 8 juli 20207 acht de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) het zogenoemde 8+8-wekenmodel passend. De rechtbank volgt dit model. Dit betekent dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit op de aanvraag bekend moet maken.
7. De Procedurerichtlijn8 en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming berusten allebei op een zelfstandige grondslag en zijn complementair. Als gevolg hiervan is de Procedurerichtlijn niet van toepassing op asielaanvragen van vreemdelingen die vallen onder de Richtlijn tijdelijke bescherming.9 Daarom is de termijn van 21 maanden om op een asielaanvraag te beslissen uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn hier niet van toepassing.
8. De rechtbank is bekend met de prejudiciële vragen die de ABRvS heeft gesteld over de uitleg van artikel 17, tweede lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming (geïmplementeerd in artikel 43a van de Vw), en over - samengevat – de verhouding van de beslistermijnen uit de Procedurerichtlijn tot de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.10 De rechtbank ziet daarin echter geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Naar het oordeel van de rechtbank verzet de aard van deze zaak - een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit – zich hiertegen.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
9. In het geval het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist, dan draagt de bestuursrechter het bestuursorgaan op om dit binnen een bepaalde termijn alsnog te doen. De bestuursrechter verbindt aan het niet naleven daarvan een dwangsom.11 In artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet)12 was bepaald dat deze bepalingen niet van
6 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
8 Richtlijn 2013/32/EU.
11 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
12 De Tijdelijke wet was van kracht van 11 juli 2021 tot 15 april 2025 en is op deze zaak nog van toepassing.
toepassing zijn op een besluit op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De ABRvS heeft echter in haar uitspraak van 30 november 202213 geoordeeld dat deze bepaling uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend was. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de minister wél opdraagt om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en dat de bestuursrechter aan het niet naleven door de minister een dwangsom verbindt.
10. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.14 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zestien weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nader gehoor af te nemen en binnen acht weken na het nader gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier.
14 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
24 juli 2025
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.