In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV) te Groningen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de minister om de LVV per 31 december 2024 te beëindigen. Het beroep is op 21 mei 2025 ingediend, maar de minister heeft aangegeven dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2025 behandeld samen met 78 andere beroepen die ook betrekking hebben op de beëindiging van de LVV.
De rechtbank heeft eiser vrijgesteld van het betalen van griffierecht, maar heeft vervolgens geoordeeld dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dit is gebaseerd op het feit dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en er geen bewijs is dat hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is, wat betekent dat er geen inhoudelijke beoordeling van de zaak plaatsvindt. De minister blijft echter verplicht om op het bezwaarschrift van eiser te beslissen, ondanks de niet-ontvankelijkheid van het beroep. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
De uitspraak is gedaan op 31 juli 2025 door mr. F. Sijens, rechter, en is openbaar gemaakt. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep binnen vier weken na verzending van de uitspraak.