ECLI:NL:RBDHA:2025:14228
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis
In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister niet tijdig heeft beslist, ondanks dat de aanvraag op 30 mei 2024 was ingediend en de beslistermijn op 28 november 2024 verstreken was. Eiseres heeft de minister op 24 maart 2025 rechtsgeldig in gebreke gesteld en het beroep is op 22 april 2025 ingesteld, wat tijdig was. De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting, aangezien de minister geen verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank overweegt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld wordt met een besluit, en dat eiseres recht heeft op een beslissing binnen een bepaalde termijn. De rechtbank legt de minister een termijn van acht weken op om een besluit te nemen, met de mogelijkheid tot verlenging indien nader onderzoek nodig is. Tevens wordt er een dwangsom van € 100 per dag opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Eiseres heeft recht op verbeurde bestuurlijke dwangsommen van € 1.442, en de rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten van € 453,50 en het griffierecht van € 194.
De uitspraak is gedaan op 30 juli 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, en is openbaar gemaakt. Eiseres kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak een verzetschrift indienen als zij het niet eens is met de uitspraak.