Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
€ 15.000 (vijftienduizend euro);
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft eiser op 3 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn echtgenote en zoon. De rechtbank heeft eerder, op 28 november 2024, het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht of twintig weken een besluit te nemen. Eiser heeft op 23 april 2025 opnieuw beroep ingesteld, omdat verweerder wederom geen besluit had genomen. De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting, omdat verweerder geen verweerschrift had ingediend.
De rechtbank overweegt dat, volgens vaste jurisprudentie, een ingebrekestelling vereist is bij het niet tijdig nemen van een besluit, tenzij er al een termijn is gesteld door de rechtbank. In dit geval heeft de rechtbank in de eerdere uitspraak al een termijn gesteld, en verweerder heeft deze termijn overschreden. De rechtbank heeft daarom besloten dat verweerder binnen twee weken na de uitspraak een besluit moet nemen en dat hij een dwangsom van € 200 per dag moet betalen voor elke dag dat hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
Daarnaast heeft de rechtbank verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 en moet hij het door eiser betaalde griffierecht van € 194 vergoeden. De uitspraak is gedaan op 30 juli 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, en is openbaar gemaakt.