ECLI:NL:RBDHA:2025:14236
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf
In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op haar aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor haar moeder, broertjes en zusjes. De rechtbank heeft op 30 juli 2025 uitspraak gedaan zonder zitting, omdat verweerder geen verweerschrift heeft ingediend. Eiseres had op 8 juli 2024 haar aanvragen ingediend, en verweerder had op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen moeten beslissen. De beslistermijn was verlengd met drie maanden, maar het besluit was niet tijdig genomen, waardoor eiseres op 13 januari 2025 rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Het beroep is op 23 april 2025 ingesteld en is gegrond verklaard.
De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder binnen acht weken na de uitspraak een besluit moet nemen, met een dwangsom van € 100 per dag voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot een maximum van € 15.000. Daarnaast zijn de proceskosten van eiseres vastgesteld op € 453,50. De rechtbank heeft de gegrondverklaring van het beroep gebruikt om verweerder te veroordelen in de proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en bevat belangrijke overwegingen over de termijnen en de zorgvuldigheid van de besluitvorming in vreemdelingenzaken.