De zaak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 september 2024 waarin een beslistermijn van zestien weken werd opgelegd. De minister heeft binnen deze termijn geen besluit genomen, waardoor het beroep van eiser gegrond wordt verklaard.
De rechtbank overweegt dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Indien de minister deze termijn overschrijdt, is een dwangsom van €250 per dag verschuldigd, met een maximum van €37.500. Hoewel de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaalde dat geen dwangsom verschuldigd was bij niet tijdig beslissen op asielaanvragen, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze bepaling onverbindend verklaard.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De rechtbank wijst erop dat een ingebrekestelling vooraf niet vereist was gezien de eerdere uitspraak met een uitdrukkelijke termijn. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier J.M. Pattynama op 13 mei 2025.