ECLI:NL:RBDHA:2025:14388

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
4 augustus 2025
Zaaknummer
NL24.48924
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming minister

Verzoeker had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 19 november 2024 en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is ingetrokken nadat de minister het besluit op 27 juni 2025 heeft gewijzigd, waarmee aan verzoeker geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen.

De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar de minister heeft niet gereageerd. Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan bij intrekking van een verzoek om voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming worden veroordeeld tot betaling van proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de minister aan verzoeker is tegemoetgekomen en dat dit reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. De proceskosten worden vastgesteld op €907, de waarde van één proceshandeling, en moeten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener omdat verzoeker een toevoeging heeft ontvangen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is definitief; tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van €907 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.48924
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. F. Jansen),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek tegen het besluit van de minister van 19 november 2024. Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van 19 november 2024. Hij heeft het verzoek ingetrokken omdat de minister op 27 juni 2025 dit besluit heeft gewijzigd.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek De minister heeft hierop niet gereageerd.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.1

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.2
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb
1. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten
bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.3
Is de minister aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. De minister is met het besluit van 27 juni 2025 aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen.4 Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.5 Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de minister in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient de minister te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van
€ 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de minister moet vergoeden € 907,- bedragen. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe.
3 Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4 Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5 Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 juli 2025
Mr. A. Skerka L.S. Lodder
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [Documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.