ECLI:NL:RBDHA:2025:14388
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek om een voorlopige voorziening
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 25 juli 2025, beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van de verzoeker om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de proceskosten. Dit verzoek volgde op de intrekking van een eerder verzoek tegen een besluit van de minister van 19 november 2024, dat door de minister op 27 juni 2025 was gewijzigd. De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling, maar de minister heeft hierop niet gereageerd.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe, op basis van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel stelt dat wanneer een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de indiener, de voorzieningenrechter het bestuursorgaan kan veroordelen in de proceskosten. In dit geval is de minister met het besluit van 27 juni 2025 aan de verzoeker tegemoetgekomen, wat de basis vormt voor de toewijzing van het verzoek.
De proceskosten worden vastgesteld op € 907,-, wat het resultaat is van de proceshandeling die de gemachtigde van de verzoeker heeft verricht door het indienen van een verzoekschrift. Aangezien de verzoeker een toevoeging heeft gekregen, moet de minister deze kosten vergoeden aan de rechtsbijstandverlener. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.