ECLI:NL:RBDHA:2025:14425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 augustus 2025
Publicatiedatum
4 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.34099
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring van een Algerijnse vreemdeling met zicht op uitzetting

Op 4 augustus 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de voortduring van de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. Eiser, geboren in 2004 en met de Libische nationaliteit, had beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die op 20 februari 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De rechtbank ontving op 25 juli 2025 een kennisgeving over het voortduren van deze maatregel, waarna eiser verzocht om schadevergoeding. De rechtbank besloot dat een zitting niet nodig was en sloot het onderzoek op 31 juli 2025.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring eerder was getoetst en dat de laatste uitspraak van 19 mei 2025 bevestigde dat de maatregel rechtmatig was tot dat moment. Eiser betwistte de duidelijkheid van de uitzetting naar Algerije, maar de rechtbank oordeelde dat er zicht op uitzetting was, ondanks het ontbreken van geldige documenten. De rechtbank benadrukte dat eiser niet actief meewerkte aan zijn uitzetting en dat de belangen van de staat zwaarder wogen dan die van eiser.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door mr. M.L. Weerkamp, met P. Lukanika als griffier, en werd openbaar gemaakt op dezelfde dag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.34099

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. Polman)
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 25 juli 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 31 juli 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Libische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 maart 2025. [2] Vervolgens is een vervolgberoep ingediend. Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 mei 2025 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 19 mei 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 19 mei 2025.
4. Eiser voert aan dat het niet duidelijk is op grond waarvan verweerder hem wil uitzetten naar Algerije. Verweerder heeft op 3 april 2025 een lp [4] -aanvraag ingediend bij de Algerijnse autoriteiten en sindsdien, vanaf 10 april 2025, zesmaal gerappelleerd, voor het laatst op 4 juli 2025. Dit heeft tot op heden geen resultaat opgeleverd. Verder heeft verweerder niet inzichtelijk onderbouwd dat uitzetting zonder documenten daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. Daarnaast zit eiser langer dan zes maanden in bewaring, wat maakt dat meer gewicht dient te worden toegekend aan de belangen van eiser dan aan de belangen van verweerder.
Uitzetting naar Algerije
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het niet duidelijk is op grond waarvan verweerder eiser wil uitzetten naar Algerije. Eiser staat immers geregistreerd onder verschillende aliassen, waarvan enkele zijn te relateren aan Algerije op basis van de daarin vermelde geboorteplaats dan wel nationaliteit. [5] Daarnaast blijkt uit het voortgangsrapport dat de Libische consul heeft vastgesteld dat eiser niet de Libische nationaliteit bezit. [6]
Zicht op uitzetting
6. In zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Algerije, ook voor Algerijnse vreemdelingen die niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten of kopieën van zulke documenten beschikken [7] . De omstandigheid dat er nog geen reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is gekomen, ondanks het versturen van rappels, is onvoldoende om aan te nemen dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. De Algerijnse autoriteiten hebben daarnaast niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven. De lp-aanvraag is nog in onderzoek en verweerder heeft in de verzwaarde belangenafweging overwogen dat regelmatig laissez-passers worden afgegeven door de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank wijst er verder op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting. Uit het dossier blijkt echter dat eiser niets onderneemt om zijn terugkeer te realiseren. Gelet op al deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zicht op uitzetting naar Algerije.
7. Ten aanzien van de uitvoerbaarheid van uitzetting zonder documenten merkt de rechtbank op dat reeds een lp-aanvraag is ingediend, welke juist strekt tot het verkrijgen van een eenmalig reisdocument teneinde uitzetting te realiseren.

Verzwaarde belangenafweging

8. De rechtbank stelt vast dat uit het voortgangsrapport blijkt dat op 20 juni 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden. [8] Verweerder heeft daarbij onder meer betrokken dat eiser het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit frustreert en niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Alle gronden voor bewaring zijn nog steeds van toepassing en er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die maken dat voortzetting van de maatregel onredelijk bezwarend is voor eiser. Op grond hiervan heeft verweerder het belang bij voortduring van de maatregel van bewaring zwaarder kunnen laten wegen dan dat van eiser bij opheffing daarvan.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:3419.
3.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:8722.
4.Laissez-passer.
5.Voortgangsrapport, p. 1.
6.Voortgangsrapport, p. 5; Vertrekgesprek van 23 juni 2025, p. 2.
7.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
8.Voortgangsrapport, p. 5.