ECLI:NL:RBDHA:2025:14449

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
AWB 25-6046
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een beroep dat is ingesteld door eiser, mede namens zijn echtgenote, tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie. De echtgenote van eiser had op 14 mei 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor haar en haar minderjarige kinderen. De rechtbank verklaarde dit beroep op 14 oktober 2024 gegrond en droeg de minister op om binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding van deze termijn, tot een maximum van € 7.500.

Eiser heeft op 13 maart 2025 opnieuw beroep ingesteld, omdat de minister geen besluit had genomen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond was, aangezien de minister wederom niet binnen de gestelde termijn had gereageerd. De rechtbank benadrukte dat een nieuwe ingebrekestelling niet nodig was, omdat er al een eerdere termijn was gesteld. De rechtbank droeg de minister op om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen en legde een dwangsom op van € 200 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 en moest het griffierecht van € 194 worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, en is openbaar gemaakt. Eiser en zijn echtgenote hebben de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/6046

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer 1]

mede namens zijn echtgenote,

[naam]

V-nummer: [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de minister van Asiel en Migratie, [1] verweerder.

Procesverloop

Eisers echtgenote heeft op 14 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de door eiser ingediende aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor haar en haar minderjarige kinderen.
Bij uitspraak van 14 oktober 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 14 mei 2024 gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen, maar binnen twintig weken indien binnen die termijn nader onderzoek wordt aangeboden (ECLI:NL:RBDHA:2024:16765).
Op 13 maart 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. [2] Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.
2. In haar uitspraak van 14 oktober 2024, bekendgemaakt op 15 oktober 2024, heeft de rechtbank het eerste beroep van de echtgenote tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag te nemen, maar binnen twintig weken indien binnen die termijn nader onderzoek wordt aangeboden. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan de echtgenote een dwangsom van
€ 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.
3. Eiser heeft het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 13 maart 2025. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste uitspraak op het beroep al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. Daar komt bij dat sinds het vollopen van de rechterlijke dwangsom wederom geruime tijd is verstreken en verweerder nog geen besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
8. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dat verband op dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven.
10. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 moet vergoeden. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
 bepaalt dat verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag, aan eiser een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent);
 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.