ECLI:NL:RBDHA:2025:14449
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een beroep dat is ingesteld door eiser, mede namens zijn echtgenote, tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie. De echtgenote van eiser had op 14 mei 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor haar en haar minderjarige kinderen. De rechtbank verklaarde dit beroep op 14 oktober 2024 gegrond en droeg de minister op om binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding van deze termijn, tot een maximum van € 7.500.
Eiser heeft op 13 maart 2025 opnieuw beroep ingesteld, omdat de minister geen besluit had genomen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond was, aangezien de minister wederom niet binnen de gestelde termijn had gereageerd. De rechtbank benadrukte dat een nieuwe ingebrekestelling niet nodig was, omdat er al een eerdere termijn was gesteld. De rechtbank droeg de minister op om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen en legde een dwangsom op van € 200 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 en moest het griffierecht van € 194 worden vergoed.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, en is openbaar gemaakt. Eiser en zijn echtgenote hebben de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen als zij het niet eens zijn met deze uitspraak.