Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag was ontvangen op 31 juli 2023, waarna de minister de beslistermijn met negen maanden verlengde. Eiser stelde de minister op 6 november 2024 in gebreke en diende daarna het beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank bepaalt een nadere beslistermijn van acht weken, rekening houdend met het feit dat eiser reeds is gehoord en de minister nog een voornemen moet nemen waarop eiser kan reageren. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €7.500. De rechtbank overweegt dat hoewel de Tijdelijke wet opschorting van dwangsommen voor asielaanvragen bepaalt, de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State deze bepaling onverbindend heeft verklaard.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier M.M. Mulder op 14 januari 2025.