ECLI:NL:RBDHA:2025:14474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.32073
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling in het kader van asielprocedure en de rechtmatigheid van de maatregel

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan de eiser. De maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had eerder beroep ingesteld tegen deze maatregel, waarbij hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel van bewaring eerder al getoetst op 23 juni 2025 en oordeelde dat deze tot dat moment rechtmatig was. Eiser betoogde dat de maatregel niet langer kon voortduren, omdat er geen zicht op uitzetting zou zijn en omdat hij een opvolgend asielverzoek had ingediend op 8 juli 2025. De rechtbank oordeelde echter dat de maatregel van bewaring rechtmatig was, omdat er zicht op uitzetting bestond en de minister voldoende voortvarend handelde. De rechtbank concludeerde dat de belangen van de minister bij voortduring van de maatregel zwaarder wogen dan de belangen van eiser bij invrijheidstelling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N. Mikolijczyk).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst bij uitspraak van 23 juni 2025. [1]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet opgeroepen om gehoord te worden. De gemachtigde van eiser is, met bericht van afmelding, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Tegen welke maatregel is het beroep gericht?
1. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het beroepschrift van eiser volgt dat beroep is ingesteld tegen de maatregel van 30 april 2025. Deze maatregel is op 23 mei 2025 al opgeheven.
1.1.
De rechtbank erkent dat in het beroepschrift is vermeld dat beroep wordt ingesteld tegen de maatregel van 30 april 2025. De rechtbank ziet dit echter als een kennelijke verschrijving, omdat gezien de gedingstukken in dit dossier voldoende duidelijk is dat het beroep ziet op de maatregel van 4 juni 2025.
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2.1.
Uit de uitspraak van 23 juni 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 17 juni 2025) onrechtmatig is.
Zit eiser op de juiste grondslag in bewaring?
3. Eiser betoogt dat hij niet langer op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 [2] in bewaring kan worden gehouden. Eiser geeft hiervoor twee redenen. De eerste reden is dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 16 juli 2025 een ordemaatregel heeft getroffen en heeft bepaald dat de geplande uitzetting van eiser op 16 juli 2025 achterwege blijft. Daarbij is van belang dat uit deze uitspraak volgt dat de Afdeling, na het verstrijken van de hogerberoepstermijn, nog uitspraak zal doen op het resterende deel van de voorlopige voorziening. De tweede reden is gelegen in het feit dat eiser op 8 juli 2025 een opvolgend asielverzoek heeft ingediend waar tot op heden nog niet op is beslist. Er heeft geen omzetting plaatsgevonden en daarom is de bewaring vanaf 8 juli 2025 onrechtmatig.
3.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Het enkele feit dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 16 juli 2025 een ordemaatregel heeft getroffen, waarin is bepaald dat geplande overdracht op 16 juli 2025 achterwege blijft en dat zij na het verstrijken van de hogerberoepstermijn, nog uitspraak zal doen op het resterende deel van de voorlopige voorziening, maakt niet dat eiser niet langer op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring kan worden gehouden. De getroffen ordemaatregel houdt niet meer in dan dat eiser op 16 juli 2025 niet kan worden uitgezet naar Sri Lanka. Deze heeft niet tot rechtmatig verblijf geleid, zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. [3]
3.2.
Ook de door eiser als tweede gegeven reden voor zijn betoog dat de grondslag van de maatregel onjuist is faalt. Zoals de minister op zitting heeft toegelicht is op 8 juli 2025 een besluit op grond van artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) genomen. Uit dit besluit volgt dat bij het opvolgend asielverzoek van eiser van 8 juli 2025 geen nieuwe relevante elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen en eisers uitzetting daarom niet achterwege wordt gelaten op grond van artikel 3.1, tweede lid, van het Vb 2000. Dit houdt in dat de indiening van het opvolgende asielverzoek op 8 juli 2025 niet heeft geleid tot rechtmatig verblijf. Een wijziging van de grondslag van de maatregel van bewaring was dan ook niet nodig.
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
4. Eiser betoogt dat in zijn geval geen zicht op uitzetting bestaat, omdat de Afdeling dit met de ordemaatregel heeft verboden tot het verstrijken van de hogerberoepstermijn op 22 juli 2025.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het dossier van eiser volgt dat aan eiser een laissez-passer is verstrekt en dat voor hem een vlucht was gepland op 16 juli 2025. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat zicht op uitzetting naar Sri Lanka in het geval van eiser niet ontbreekt. De door de Afdeling getroffen ordemaatregel had maar een beperkte duur, zodat niet kan worden gezegd dat zicht op uitzetting is komen te vervallen.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt aan zijn uitzetting. Volgens eiser heeft de minister tot op heden geen nieuwe vlucht aangevraagd en nog niet beslist op de asielaanvraag van 8 juli 2025.
5.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Eiser zit op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring. Uit dit artikel volgt dat eiser in bewaring zit met als doel uitzetting. De rechtbank ziet niet in dat het feit dat nog niet is beslist op zijn asielverzoek moet leiden tot de conclusie dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Daarnaast heeft de minister op zitting toegelicht dat voor eiser op 28 juli 2025, dat wil zeggen binnen vier werkdagen na het verstrijken van de hogerberoepstermijn, een nieuwe vlucht aanvraag, inclusief namen van de escorts, is verzonden naar de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA). Deze handelingen kunnen worden aangemerkt als uitzettingshandelingen. Uit het voorgaande blijkt dan ook dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Heeft de minister een evenredige belangenafweging gemaakt?
6. Eiser betoogt dat zijn belangen bij opheffing van de maatregel zwaarder wegen dan het belang van de minister om de maatregel te laten voortduren. Daarbij is van belang dat eiser vanwege zijn psychische klachten met enige regelmaat verblijft in de observatiecel (OBS). Eiser heeft in dit verband medische informatie gedateerd 22 juli 2025 overgelegd. Hierbij is volgens eiser van belang dat hij al sinds 1 mei 2025 in bewaring verblijft.
6.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister.
6.2.
De medische zorg in de detentie- en uitzetcentra is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. [4] Eiser kan dan ook medisch behandeld worden in het detentiecentrum, indien dit nodig blijkt. Uit het feit dat eiser met enige regelmaat in OBS verblijft, wat daar ook van zij, kan de conclusie worden getrokken dat het detentiecentrum op de hoogte is van de psychische gesteldheid van eiser. Indien eiser meent dat de medische zorg in het detentiecentrum voor hem niet voldoende is, dan kan hij daarover een klacht indienen bij de directeur. Uit wat eiser heeft aangevoerd en de door hem overgelegde medische gegevens kan in ieder geval niet de conclusie worden getrokken dat eiser detentieongeschikt is. Verder zijn er door eiser geen andere bijzondere omstandigheden genoemd op grond waarvan de minister de maatregel had moeten opheffen op grond van een belangenafweging. Daarbij komt dat eiser kan bijdragen aan het beëindigen van de maatregel door mee te werken aan zijn uitzetting. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser een dergelijke houding vertoont of hier inspanningen voor verricht.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem), 23 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10742.
2.Grondslag geen rechtmatig verblijf.
3.ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:509 en ABRvS 28 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2182.
4.ABRvS 5 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:16.
5.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.