ECLI:NL:RBDHA:2025:14474
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring van een vreemdeling in het kader van asielprocedure en de rechtmatigheid van de maatregel
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 4 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan de eiser. De maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser had eerder beroep ingesteld tegen deze maatregel, waarbij hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel van bewaring eerder al getoetst op 23 juni 2025 en oordeelde dat deze tot dat moment rechtmatig was. Eiser betoogde dat de maatregel niet langer kon voortduren, omdat er geen zicht op uitzetting zou zijn en omdat hij een opvolgend asielverzoek had ingediend op 8 juli 2025. De rechtbank oordeelde echter dat de maatregel van bewaring rechtmatig was, omdat er zicht op uitzetting bestond en de minister voldoende voortvarend handelde. De rechtbank concludeerde dat de belangen van de minister bij voortduring van de maatregel zwaarder wogen dan de belangen van eiser bij invrijheidstelling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.