ECLI:NL:RVS:2022:2182
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A. Kuijer
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid bewaring vreemdeling ondanks ordemaatregel voorlopige voorziening
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 8 juni 2021 in bewaring met het oog op uitzetting, nadat diens tweede asielaanvraag niet-ontvankelijk was verklaard. De rechtbank Den Haag oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat een ordemaatregel van de voorzieningenrechter een uitzetting tijdelijk verhinderde, waardoor de vreemdeling niet aan zijn vertrekplicht kon voldoen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de ordemaatregel geen rechtmatig verblijf verschafte en slechts een tijdelijke belemmering van uitzetting vormde. Daarom was de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gerechtvaardigd.
Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd niet-ontvankelijk verklaard omdat dit op grond van de wet niet mogelijk was. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, terwijl het beroep van de vreemdeling ongegrond werd verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.