Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 15 maart 2024 ontvangen, waarna de minister de beslistermijn aanvankelijk verlengde, maar deze verlenging later introk. Hierdoor geldt een beslistermijn van zes maanden.
Eiseres stelde de minister op 18 juni 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op van zestien weken, verdeeld in twee termijnen van acht weken: eerst voor het afnemen van een nader gehoor omtrent de asielmotieven, daarna voor het nemen van het besluit.
Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 30 juli 2025 door rechter G.P. Loman.