Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 1 februari 2024 ontvangen, waarna de minister een beslistermijn van zes maanden had. Eiser stelde de minister op 13 juni 2025 in gebreke en diende daarna het beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank legt de minister een nadere beslistermijn op van zestien weken, verdeeld in twee fasen: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de minister een nader gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser, gevolgd door een besluit binnen acht weken daarna. Dit volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast wordt de minister een dwangsom van €100 per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €15.000. De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier D.C. van de Mortel en is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2025.