ECLI:NL:RBDHA:2025:14779

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.33457
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dublinprocedure en interstatelijk vertrouwensbeginsel in asielaanvraag

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure waarbij de eiser, een Syrische nationaliteit hebbende man, zijn asielaanvraag in Nederland had ingediend op 31 maart 2025. De minister van Asiel en Migratie, verweerder, heeft de aanvraag niet in behandeling genomen op basis van de Dublinverordening, omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Dit besluit is genomen na een verzoek om overname door Nederland, dat door Kroatië op 9 juli 2025 werd aanvaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, stellende dat Kroatië niet kan worden vertrouwd op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er aanwijzingen zijn dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat de asielprocedure daar in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd om aan te tonen dat Kroatië niet aan zijn verplichtingen voldoet. De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van pushbacks en dat er geen fundamentele systeemfouten zijn in de Kroatische asielprocedure. De rechtbank heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard, omdat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de asielaanvraag niet in behandeling genomen hoefde te worden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33457

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 31 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. [2] Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Kroatië in het bezit is gesteld van een visum, dat geldig was van 14 februari 2025 tot 14 maart 2025. Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening [3] is Kroatië daarmee verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond van dit artikel op 13 mei 2025 een verzoek om overname gedaan. Op 9 juli 2025 heeft Kroatië het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er zijn concrete aanknopingspunten dat Kroatië zijn internationale verdragsverplichtingen niet nakomt. De kwaliteit van de asielprocedure in Kroatië is in strijd met artikel 3 en artikel 13 van het EVRM. [4] Kroatië maakt zich schuldig aan mishandeling van asielzoekers en pushbacks. Ook zijn er problemen met de opvang en met de rechtsbijstand. Eiser verwijst in dit verband onder andere naar de update van het AIDA-rapport uit 2019. Daarnaast zou verweerder ten onrechte geen toepassing hebben gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel genomen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
5. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat uitgangspunt heeft de Afdeling [5] recentelijk meermaals bevestigd. [6] Het is aan eiser om aan de hand van objectieve informatie aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is daar niet in geslaagd.
6. Eiser heeft in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant slachtoffer zal worden van pushbacks bij overdracht naar Kroatië, of dat hij na overdracht in zodanig slechte omstandigheden terecht zal komen dat de bijzonder hoge drempel als bedoeld in het Jawo-arrest [7] wordt bereikt. De Afdeling heeft overwogen dat het al dan niet plaatsvinden van pushbacks aan de buitengrenzen en soms ook verder naar het binnenland onvoldoende is voor het oordeel dat ook Dublinclaimanten een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. Het door eiser overgelegde AIDA-rapport dateert van voor de uitspraken van de Afdeling. De Afdeling heeft in haar uitspraken een recentere versie (update 2023) van het AIDA-rapport voor Kroatië bij haar beoordeling betrokken. De overige informatie die eiser naar voren heeft gebracht, geeft ook geen aanleiding om over het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Kroatië anders te oordelen dan de Afdeling in haar uitspraken heeft gedaan. Uit de door eiser overgelegde informatie blijken geen gedocumenteerde gevallen van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van een pushback.
7. Eiser heeft evenmin informatie overgelegd waaruit blijkt dat in Kroatië sprake is van fundamentele systeemfouten in de opvangvoorzieningen of in de rechtsbijstand voor asielzoekers. Niet kan worden gesproken van structurele tekortkomingen in de Kroatische asielprocedure. De Kroatische autoriteiten hebben met het claimakkoord van 9 juli 2025 de terugname van eiser geaccepteerd. Dat betekent dat zijn asielaanvraag in behandeling zal worden genomen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Indien eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken.
8. Tot slot wordt eiser niet in zijn standpunt gevolgd dat verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Eiser kan in de Dublinprocedure geen geslaagd beroep doen op het verbod van (indirect) refoulement wanneer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 [8] en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. [9] Verweerder had dit dan ook niet hoeven te onderzoeken. Verweerder is verder voldoende gemotiveerd ingegaan op de door eiser geuite bezwaren tegen de voorgenomen overdracht aan Kroatië. Dat daarbij mede gebruik is gemaakt van ‘algemene standpunten’ en een Afdelingsuitspraak uit 2024, maakt nog niet dat die overwegingen niet van toepassing zijn op eiser.
9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, de uitspraak van 11 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4576 en de uitspraak van 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1869.
7.Het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, met zaaknummer ECLI:EU:C:2019:218.
8.ECLI:EU:C:2023:934.