Eiser, van Eritrese nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de minister niet in behandeling werd genomen omdat Polen verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eiser betwist dit en voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen, mede vanwege recente wetswijzigingen en politieke uitspraken in Polen die de asielprocedure kunnen belemmeren.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet zonder nader onderzoek kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er relevante en objectieve aanwijzingen zijn dat Polen zich mogelijk niet aan de Dublinverordening houdt, met name voor asielzoekers die via Belarus zijn binnengekomen zoals eiser. Daarnaast heeft de minister het vermoeden van minderjarigheid van eiser onvoldoende gemotiveerd ontzenuwd. De schouwen en de registratie in Polen zijn niet voldoende onderbouwd om meerderjarigheid vast te stellen.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek naar de situatie in Polen en de minderjarigheid van eiser. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 907,-.