Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 5 februari 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken alsnog een besluit heeft genomen.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de minister binnen een termijn van zestien weken een besluit nemen, gerekend vanaf de dag na de bekendmaking van deze uitspraak.
De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier B.A. Smit en is zonder zitting gewezen. Eiser krijgt de mogelijkheid om binnen zes weken een verzetschrift in te dienen indien hij het niet eens is met deze uitspraak.