ECLI:NL:RBDHA:2025:15795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
25 augustus 2025
Zaaknummer
NL24.31191
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken bijkomende afhankelijkheid

Eiseres heeft een machtiging voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij haar zoon in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af op grond van het ontbreken van beschermenswaardig gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Eiseres stelde dat de minister ten onrechte de hoorplicht had geschonden en dat er wel sprake was van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en haar zoon.

De rechtbank overwoog dat het gebruikelijk is dat bij een mvv-aanvraag alleen de referent (de zoon) in Nederland wordt gehoord en dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden door eiseres in het buitenland niet te horen. De rechtbank beoordeelde vervolgens de elementen van afhankelijkheid: samenwoning, financiële en emotionele afhankelijkheid. Uit het bewijs bleek dat de samenwoning tot 2013 in Afghanistan plaatsvond, waarna de zoon apart ging wonen. De financiële ondersteuning bestond uit sporadische geldzendingen, die op afstand konden worden voortgezet. Emotionele afhankelijkheid was onvoldoende aangetoond.

De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en dus geen beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31191

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot verlening van een machtiging voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM voor verblijf bij haar zoon (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de mvv-aanvraag af te wijzen in stand kan blijven
.De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van gezins- en familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Ook heeft de minister de hoorplicht niet geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt, maar heeft eiseres hiervoor het voordeel van de twijfel gegeven. De minister is vervolgens tot de conclusie gekomen dat uit de door referent gegeven verklaringen niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarbij is de minister ingegaan op de elementen samenwoning, financiële, medische en emotionele afhankelijkheid en de banden van eiseres met haar land van herkomst. Hierdoor is volgens de minister geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
4. Eiseres betoogt dat de minister de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden, omdat hij haar ten onrechte niet heeft gehoord, maar enkel referent.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ter zitting terecht op het standpunt gesteld dat het bij een mvv-aanvraag als deze gebruikelijk is dat alleen referent in Nederland wordt gehoord en dat de minister niet verplicht is om daarnaast eiseres in het buitenland te horen. Het besluit is namelijk ook aan referent gericht. Tijdens het gehoor met referent zijn bovendien (genoeg) vragen gesteld over de afhankelijkheidsrelatie, zodat referent daar uitgebreid over heeft kunnen verklaren. Eiseres heeft verder niet onderbouwd wat zij nog had kunnen toevoegen aan het gehoor van referent met betrekking tot hun gestelde afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank de hoorplicht niet geschonden door enkel referent te horen.
Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
5. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Er zijn namelijk wel degelijk meer dan gebruikelijke banden tussen haar en referent. Dat heeft referent voldoende toegelicht tijdens de hoorzitting. Eiseres wijst hierbij op de samenwoning van eiseres met referent en de financiële en emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referent.
Het juridisch kader
5.1.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is voor de vaststelling van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouders en hun niet-jongvolwassen meerderjarige kinderen vereist dat bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, zodat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. [1] Hierbij kunnen de volgende elementen van belang zijn: of de familieleden hebben samengewoond, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. [2]
Hieronder zal de rechtbank de elementen samenwoning, financiële afhankelijkheid en emotionele afhankelijkheid bespreken, nu daar de beroepsgrond tegen is gericht.
Samenwoning
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat uit het enkele feit dat eiseres en referent tot 2013 hebben samengewoond in Afghanistan niet blijkt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Referent is namelijk in 2013, samen met zijn echtgenote, vrijwillig apart gaan wonen van eiseres. Niet is gebleken dat eiseres zich niet staande heeft kunnen houden na het vertrek van referent. De stelling van eiseres dat het ongebruikelijk is voor volwassenen om samen te wonen, waarmee gegeven is dat het meer dan gebruikelijk is dat eiseres en referent samenwoonden tot 2013, volgt de rechtbank niet. De minister heeft zich in dit verband namelijk terecht op het standpunt gesteld dat het in Afghanistan gebruikelijk is voor volwassenen om samen te wonen en dat gegeven bij de beoordeling mogen betrekken.
Financiële afhankelijkheid
5.3.
Over de gestelde financiële ondersteuning door referent aan eiseres heeft de minister terecht het standpunt ingenomen dat dit niet bijdraagt aan de conclusie dat sprake is van bijzondere elementen van afhankelijkheid. Referent heeft verklaard dat hij af en toe geld spaart en dit naar eiseres toe stuurt. Referent heeft verder verklaard de enige te zijn die eiseres financieel ondersteunt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet, zoals nu al gebeurt. [3]
Emotionele afhankelijkheid
5.4.
Anders dan eiseres op de zitting heeft betoogd, staat de emotionele afhankelijkheid wel ter discussie. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat niet is gebleken van emotionele afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Dat referent heeft verklaard dat eiseres hem zou kunnen helpen met de zorg voor zijn kinderen, dat hij zich zorgen maakt om haar en dat haar komst hem rust zou brengen, is, hoewel heel begrijpelijk, hiervoor onvoldoende.
Conclusie
5.5.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is, gelet op voorgaande, van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, zodat ook geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat het bestreden besluit van 11 juli 2024 in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.EHRM 17 februari 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907
2.ABRvS 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003 en ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
3.ABRvS 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3315.