ECLI:NL:RBDHA:2025:16009
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure op grond van de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege ernstige tekortkomingen in Duitsland, waaronder gebrekkige rechtsbijstand, onvoldoende opvangvoorzieningen, taalbarrières, detentie en stopzetting van medische zorg vanwege zijn zeldzame auto-immuunziekte. Hij verwees naar rapporten en medische artikelen ter onderbouwing.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De aangevoerde tekortkomingen in Duitsland zijn niet structureel en zwaarwegend genoeg om af te wijken van dit principe. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.
Ook het beroep op het arrest C.K. faalde omdat eiser niet aannemelijk maakte dat overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden. De minister hoefde de aanvraag niet onverplicht aan zich te trekken omdat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die de overdracht onevenredig hard maken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde eiser niet tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.