In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 28 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een Gambiaanse vreemdeling. De vreemdeling, geboren op een onbekende datum en met een V-nummer, was in Nederland in detentie geplaatst op basis van een besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat op 11 augustus 2025 was genomen. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit behandeld op 22 augustus 2025, waarbij de vreemdeling via telehoren aanwezig was vanuit het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door een waarnemend gemachtigde. De minister werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de maatregel van bewaring heeft opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, omdat er een concreet aanknopingspunt was voor een overdracht op basis van de Dublinverordening en er een significant risico bestond dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken. De rechtbank heeft de gronden voor de bewaring beoordeeld en geconcludeerd dat de zware gronden, waaronder het niet op de juiste wijze binnenkomen van Nederland en het niet meewerken aan de overdracht, feitelijk juist zijn. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van de vreemdeling naar Duitsland, waar hij eerder een asielverzoek had ingediend.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een rechtsmiddel tegen deze uitspraak mogelijk binnen één week na bekendmaking.