ECLI:NL:RBDHA:2025:16352
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij GVVA-aanvraag na staking bedrijfsactiviteiten
Eiseres, afkomstig uit Zuid-Afrika, diende een aanvraag in voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als verpleegkundige bij een Nederlands bedrijf (referente) te werken. De minister wees deze aanvraag af omdat eiseres niet beschikte over een geldige machtiging voor verblijf en niet viel onder een vrijstellingscategorie. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing.
Tijdens de procedure informeerde de gemachtigde van eiseres de rechtbank over gewijzigde omstandigheden: de bedrijfsactiviteiten van referente waren gestaakt na aanhoudingen in een onderzoek van de Arbeidsinspectie. Hoewel de juridische entiteit bleef bestaan, was het onzeker of en wanneer de bedrijfsactiviteiten zouden worden hervat.
De rechtbank beoordeelde of eiseres nog een actueel en reëel belang had bij de inhoudelijke behandeling van haar beroep. Gezien het feit dat de bedrijfsactiviteiten waren gestaakt en het hervatten daarvan een onzekere toekomstige gebeurtenis was, concludeerde de rechtbank dat het procesbelang ontbrak. Ook het argument dat het in het belang van referente zou zijn om werknemers met vergunningen te behouden, werd verworpen omdat referente geen partij is in de procedure.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en ging niet in op de inhoudelijke beroepsgronden. Eiseres kreeg het griffierecht niet terug en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een actueel en reëel procesbelang.